Logo van de kerk
Home / Wie zijn we / Welkomstwoord

Welkomstwoord

Eenmaal in de twee maanden verschijnt in de het gezamenlijk kerkblad een welkomstwoord van de dominee. Hieronder volgt het meest recente. 

Welkomstwoord maart 2021

“ Zou je een keer op bezoek kunnen komen bij een kwetsba-re oude dame, die bij ons woont? Ik ontdekte dat ze ‘De Heer is mijn herder kent’ en van huis uit kerkelijk is. Mis-schien vindt ze het fijn om met een dominee te praten.”
Begin vorig jaar kwam dit verzoek bij mij, afkomstig van een persoonlijk begeleider van een bewoner in Waringin. Na de eerste lockdown, mocht ik bij deze mevrouw op bezoek. Er kwam toch nauwelijks iemand, dus liep ik anderen niet in de weg. Ik stapte op de afgesproken tijd het kleine kamertje binnen en na een korte introductie van de PB-er, bleven we met z’n tweeën achter.
Ada, laten we haar zo noemen, humde wat, maar zocht niet echt contact met mij. Ik zat tegenover haar en probeerde aan de hand van wat ik zag in haar kleine appartementje een gesprek op gang te brengen. De foto aan de muur, de breimand onder het ronde tafeltje, de zonnebrillen op haar rollator: ik benoemde het en wachtte af. Af en toe antwoordde ze met: ‘Ja lieffie’ en ‘nee lief-fie’, maar vaak ook bleven mijn vragen in de lucht hangen. Na een kwartiertje rondde ik af met de vraag: vind je het goed dat ik nog een keer kom, Ada? Ja lief-fie, klonk er.

Een week of zes daarna was ik er weer en ik merkte dat ik het moeilijk vond. Hoe kon ik contact maken op een manier die bij Ada paste? Waar zou ik haar mee kunnen helpen? Veel woorden, dat hielp niet, merkte ik al snel. En na tien a vijftien minuten was het ook écht genoeg. Soms liet Ada me dat ook subtiel merken. Bij het derde bezoek merkte ik dat ik er tegenop begon te zien. Ik was wel heel hard aan het proberen, maar in feite was ik doodverlegen met de hele situa-tie. Daar zat ik dan met al mijn colleges pastoraat, alle inzichten en kennis over geloven en God, met mijn ‘geslaagde’ leven en ik wist me hier geen raad. Ik vroeg één van de begeleiders of we even konden sparren, maar eerlijk gezegd moest ik vooral even mijn hart luchten en kwam ik om raad. Wat volgde was een gesprek waar ik kippenvel van kreeg.

Ik ontdekte dat Ada in de woorden ‘lieffie’ en ‘zussie’ liet merken dat je welkom was bij haar, iets wat bijzonder was na een leven waarin haar vertrouwen in mensen ook de nodige keren geschaad was. En hoe zeldzaam het was dat ze mij verteld had waar ze geboren was, iets persoonlijks van haar eigen levensverhaal. En dat er ruimte was geweest voor mijn hakkelend – en in mijn ogen stuntelige – gebed was niet vanzelfsprekend. Ada had een zwaar leven achter de rug en had nu vooral nodig dat er van haar gehouden werd; dat er lieve, positieve woorden en mensen om haar heen waren, zo vertelde de begeleider.

Ik ontdekte dat ik zo hard aan het proberen was geweest, dat ik alleen met mezelf was bezig geweest. Terwijl het nu juist om Ada ging. Daarna was het anders, rustiger, opener. Oude liederen zingen hielp, ontdekte ik. Niet teveel willen en vragen. Stil durven zijn.
#Ik ben er voor jou, is ons thema tot aan Pasen. En té gauw, té vaak, denken wij in al onze overmoed dat wij er voor de (kwetsbare) ander moeten zijn. Dat het van ons afhangt. Terwijl het misschien soms precies andersom is. Vorige week namen we afscheid van Ada en ik heb haar – en God – gedankt voor hoe ze mij weer leer-de waar het op aankomt: in alle kwetsbaarheid en kracht, in eenvoud én in liefde er voor elkaar zijn, de één niet boven de ander, de ander niet boven de één. Dag lieffie.
Ds. Betty Gras
(met toestemming geschreven én groot respect voor