Logo van de kerk

Symposium Paul van Tongeren

Filosofisch symposium over het boek ‘Leven is een kunst’ van prof. dr. Paul van Tongeren.

Er waren ruim zeventig mensen aanwezig variërend in leeftijd van twintigers, veertigers en de nog wat ouderen. Mensen die hier voor het eerst waren, anderen die onze symposia al eerder bezochten en de harde kern, o.a. bestaande uit de leden van de filosofiegroep in Zuidwolde. Zij bespraken afgelopen jaar dit boek in hun bijeenkomsten en zij organiseerden deze middag onder de vlag van B&O. Albert Haar was dagvoorzitter en zoals gewoonlijk werd het onder zijn leiding een zeer geanimeerde middag. Het onderwerp was niet eenvoudig, in de pauze verzuchtte een van de jongeren: ‘Oef, de grote lijnen herken ik wel en ik hoor ook goed wat hij zegt maar om alles nu achter elkaar te begrijpen, daar is nog wat meer denkwerk voor nodig’. Zij was de enige niet, vooral zij die het boek niet gelezen hadden moesten de oren goed openhouden om alle verbanden en kruisverbanden te kunnen volgen. Maar het was zeker de moeite waard.

Ds. Betty Gras herinnerde in haar welkomstwoord aan de ‘Schöpferische Pause’, de scheppende pauze, zoals ze op haar lessen over de kunst van het preken leerde. Regelmatig het werk even laten rusten om de geest de ruimte te geven om zijn werk te doen. Dezelfde passiviteit vond zij in het boek terug. En zo heeft van Tongeren dit boek ook geschreven, als nevenproduct naast het schrijven van een boek over Nietzsche, vertelde hij later.
Albert Haar formuleerde de kernvraag van deze middag: Hoe geven we invulling aan ons leven zodat het kunst is? En heeft de aanslag van gisteren (13 nov.) in Parijs iets te maken met levenskunst of overlevingskunst?
Prof. van Tongeren begint met een korte uitleg over de indeling van het boek. Het bestaat uit 6 hoofdstukken met daartussen intermezzi. Deze zijn het belangrijkste, de hoofdstukken zijn min of meer geleerde verhandelingen. Van Tongeren wilde de deugdethiek, die al zo’n 2500 jaar oud is, confronteren met een aantal uitdagingen om te zien of deze zijn geldigheid nog heeft behouden.

Anders dan de dieren leeft de mens in een geheel van betekenis. Als een koe honger heeft begint zij te grazen en stopt als ze verzadigd is. De mens kijkt op zijn horloge of het al etenstijd is, hij zet de prikkel om in betekenis. Maar de betekenis is niet te pakken, hij weet het niet zeker, daarom praat hij zoveel, nutteloze praat, om die onzekerheid op te heffen. Hij zoekt bevestiging. We kunnen daardoor onze betekenis verrijken maar ze wordt nooit zekerheid. In de wetenschap gaat het over feiten, de filosofie is niet op een feitelijke manier vast te stellen, ze heeft betekenis. Deze onzekerheid van de betekenisgeving is ethiek en het nadenken over goed en kwaad heet deugdethiek. Het gaat over hoe je bent, hoe je houding in het leven is, over je karaktertrekken.
De oudheid zegt: deugdzaam leven is filosofie, is kunst, is inzicht verkrijgen. Voor hedendaagse filosofen o.a. Wilhelm Schmid en Joep Dohmen is levensfilosofie geen deugdethiek maar een middel, een instrument om zelf je lot en je leven te bepalen. De eigen persoon staat centraal. Je kiest zelf wat je wilt en wat je belangrijk vindt en solidariteit komt pas in beeld als dat leidt tot zelfontplooiing. In die levenskunstfilosofie is weinig aandacht voor passiviteit, ontvankelijkheid voor wat je gegeven wordt.

Tot ongeveer 300 na de gangbare jaartelling kennen we alleen de Griekse filosofie daarna worden de deugden van het christendom hierin verweven. Een ondenkbaar begrip voor de Grieken was het kwaad. Niet alles was goed maar het kwade was een vergissing, een misser. Als de mens beter nadenkt dan doet hij het goede. Het echte kwaad is willens en wetens doen wat niet goed is. Augustinus houdt zich in zijn boek ‘Belijdenissen’ bezig met de vraag: Waar komt het kwaad vandaan? Hij geeft een treffend voorbeeld met het verhaal dat hij als jonge jongen met een aantal kameraden peertjes gestolen heeft uit de boomgaard van de buurman. De peertjes waren niet lekkerder dan die uit hun eigen tuin, ze waren ook niet groter, ze stelen diende nergens toe. Alleen het feit dat je niet mag stelen zette de jongens aan tot hun daad. Augustinus ziet de wil om het kwade te doen als opstand tegen God wat ondenkbaar was voor de Grieken. In de Griekse deugdethiek hebben we het denken en het verlangen, de christelijke ethiek voegt daar de wil aan toe. Het denken wordt geperfectioneerd op school, het verlangen door het vervolmaken van het karakter maar de wil is niet te verbeteren, zij wil altijd de baas zijn, zelfs als het in gaat tegen het eigen denken. De deugden van de wil, de christelijke deugden, zijn geloof, hoop en liefde. Je daarin te bekwamen gaat tegen het eigen verlangen in daarom past onze eigen ervaring niet bij de Griekse en de oudchristelijke denkers.
 

Na de pauze konden er vragen worden gesteld waar vooral de filosofiegroep zich goed op had voorbereid. Van Tongeren beantwoordde de vragen door min of meer verder te gaan met zijn referaat zodat het voor iedereen een samenhangend geheel bleef. Een korte samenvatting van de vragen en antwoorden.

Hoe is de relatie ethiek en psychoanalyse?
Deugdethiek met als tegenstander de menselijke natuur, en niet de wetenschap, staat in een metafysisch kader. In het Johannes evangelie staat dat de wereld in principe bestaat uit het Woord = Logos= redelijkheid, inzichtelijkheid. Nietzsche verandert dit in wanorde en zegt dat alle orde een bedenksel is van onszelf.
De psychoanalyse, de hele wereld van de orde ontstaat wanneer de menselijke driftmatigheid verdrongen wordt en als het ware opgesloten zit in een ton met een stevig deksel. Toch kan de redelijkheid alleen bestaan per gratie van de kracht die we onderdrukken. Die redelijkheid, die orde wordt dus voortdurend bedreigd. In de romans van Thomas Rozenboom zien we voortdurend dat mensen iets goeds nastreven maar daarin zichzelf te buiten gaan en zich zo te gronde richten. De redelijke orde wordt bedreigd door beestachtigheid, zie de aanslagen in Parijs van gisteravond, en is gebouwd op chaos. Niet alles komt vanonder het deksel, die radeloze energie is ook angst. Het besef dat onze orde fragiel is kan misschien gecultiveerd worden door de manier waarop we in de kunst hiermee omgaan.

Is het mogelijk de theologale deugden ook buiten de christelijke context te gebruiken?
Ja, ze kunnen ook gebruikt worden buiten hun eerste, christelijke betekenis. Als je een ervaring kunt begrijpen omdat die in de christelijke context staat, gaat de ervaring niet verloren als je die christelijke context weg haalt. Je hebt dan wel veel woorden nodig om de betekenis duidelijk te maken.
Zouden de filosofen uit de middeleeuwen dit nog begrijpen of zouden ze het als iets geheel anders ervaren?
Ze zouden het begrijpen op dezelfde manier waarop wij de middeleeuwen begrijpen. De hedendaagse hermeneutiek beschouwt dit als een ‘What if’ vraag. Thomas van Aquino dacht op zijn eigen manier, wij kunnen wel iets begrijpen van het denken van een dertiende-eeuwse monnik maar wij denken zelf niet zo. Er is wel een manier van verstaan mogelijk maar het blijven grote verschillen in denken. De betekenis die we menen te delen blijft fragiel.

Brengt kunst iets aan het licht?
In tegenstelling tot kitsch brengt kunst iets aan het licht maar het is tijdelijk. We kunnen ontroerd zijn bij het horen van bepaalde muziekstukken van Bach maar we blijven de partituur nodig hebben om dit opnieuw te beleven. Bij een goede balletvoorstelling ervaar je iets en zie je iets maar alleen voor de duur van de uitvoering. Dit duidt iets aan van de fragiliteit van de betekenis.

Dit is maar een korte en gebrekkige weergaven van een uitermate boeiende middag.
Dicky Rentier