Logo van de kerk

overweging in2021 op 18 juli

Overweging 18 juli 2021

Lezing Johannes 5: 30 – 47
In de zomerreeks ‘Verhalen van vertrouwen’

Vanaf het begin af aan lag ze al onder vuur. De man waarmee ze getrouwd was, de hautaine, intellectuele toon, het milieu waar ze uit kwam, alles werd aangegrepen om haar positie te ondermijnen. En toen er een uitgebreide documentaire over haar verscheen, waarvan je zou denken dat het meer begrip zou kweken voor wie ze is, en wat haar drijfveren zijn, werd dat juist een extra aanleiding om nog meer wantrouwen jegens haar te voeden, door aan de onafhankelijkheid van de docu te twijfelen, en kleine dingen daarin heel groot te maken. Ik heb het over minister Sigrid Kaag. Maar ik had ook genoeg andere voorbeelden kunnen kiezen.

Wie in deze tijden publiek persoon is, een publiek ambt op zich neemt, zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt, of zich ergens hard voor maakt, heeft misschien wel als belangrijkste taak: hoe win ik vertrouwen? Hoe zorg ik dat ik betrouwbaar ben en blijf en dat ik dat vertrouwen ook niet kwijt raak, niet door mijn doen en laten en ook niet in de beeldvorming?
Een ongelofelijk moeilijke, ja bijna onmogelijke taak, omdat er zoveel krachten en machten omheen spelen die een mens, of het beeld van iemand maken of breken. Vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard, luidt een gezegde, anders gezegd: je bent tijden bezig om het op te bouwen, maar je bent het zomaar kwijt, vertrouwen.

U heeft het misschien wel gezien, er was in de afgelopen tijd een programma bij de EO over dominees die na een conflict, of misstap “uitgepreekt” waren en daar over vertelden en in de nabeschouwing met drie nog werkzame predikanten ging het eigenlijk maar over één thema, het gaat er uiteindelijk om, niet of iemand perfect is of onkwetsbaar, maar of iemand te vertrouwen is, of iemand betrouwbaar is, of iemand een mens uit één stuk is.
Een waarde die belangrijker is dan ooit, omdat dit vertrouwen niet meer vanzelf komt, of vanuit autoriteit, of positie, maar gewonnen moet worden. Ook wanneer je niet publiek persoon bent… ook in het alledaagse leven, in je relaties maakt dit vertrouwen in elkaar, in elkaars goede bedoelingen, in elkaars integriteit alle verschil.
Het viel me op hoe in de afgelopen tijd, omdat je elkaar minder zag, minder sprak, minder écht contact met elkaar had, dat juist ook dit alledaagse vertrouwen in elkaar meer onder druk stond, levend in de eigen bubbel wonnen de negatieve stemmen in je en om je heen het gemakkelijker dan de positieve. Vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard.

Te midden hiervan is het verfrissend, ja bijna vervreemdend hoe Jezus zich op geen enkele manier bezorgd lijkt te maken over of hij wel of niet het vertrouwen wint van zijn omstanders, of hij betrouwbaar over komt ja of nee, en of mensen in hem zullen geloven. Hij treedt op allerlei manieren buiten de gebaande paden, door te genezen op de sabbat, en daar naderhand geen enkele erkenning voor te vragen, door de autoriteiten uit te dagen, en door God vrijmoedig zijn Vader te noemen.
En toch is het voor hem volstrekt vanzelfsprekend dat hij betrouwbaar is, te vertrouwen is. Nou vooruit, omdat het voor de mensen wellicht helpt, noemt hij Johannes de Doper als iemand die zijn betrouwbaarheid onderstreept. Niet dat ik het getuigenis van een mens nodig heb…voegt hij eraan toe. En een tweede getuige voert hij op door Mozes te noemen, als degene die over hem schrijft. Dat is voor de Joodse rechtbank genoeg, twee betrouwbare getuigen.
Dat moet genoeg zijn lijkt Jezus te zeggen. Als je goed zou luisteren, goed zou zien wat ik doe, goed zou opletten, ja, dan zou je het wel weten.

Onbekommerd, onbezorgd, ja, misschien wel pretentieus en uitdagend in onze oren en ogen stelt Jezus zich op, met een soort van rotsvast zelfvertrouwen en Godsvertrouwen. Wat ik doe, getuigt ervan dat de Vader mij gezonden heeft, zo zegt Jezus. Punt.
Met dit soort zelfverzekerdheid kun je natuurlijk helemaal een verkeerde kant op gaan, maar het geeft ook wel een enorme kracht, een enorme onafhankelijkheid, een enorme vrijheid, die ik Jezus wel toevertrouw en waar wij van kunnen leren.

Twee dingen wil ik eruit lichten, die Jezus noemt…
Jezus zegt als eerste dat zijn omstanders zo ijverig de schriften bestuderen in de hoop eeuwig leven te hebben, maar dat ze bij hem niet willen komen “om leven te ontvangen ”, mooie woorden zijn dat, bij Jezus komen “om leven te ontvangen ” Als die ene verlamde man weer rechtop wordt gezet, zien de critici vooral het matras, dat op sabbat niet gedragen mag worden, in plaats van de mens die weer het leven heeft gevonden. Zo vast zitten ze in denkkaders, dat wanneer het leven begint te stromen, weer glans krijgt, het door hen niet gezien wordt. Zoals zo vaak met Jezus doen en laten waar hij die ene mens ziet, werkelijk ziet, in wat hij of zij nodig heeft, waar deze ene rechtop wordt gezet, erbij wordt gehaald, weer perspectief krijgt, zelfvertrouwen en godsvertrouwen, daar zien anderen vooral ondermijning van denkkaders, regels, vastgestelde patronen, van alles wat hoort.
Met Jezus waait er een vrijheid, komt er leven binnen, die je uit je comfortzone haalt. Je hebt hem nodig ‘om leven te ontvangen’, om daar weer dichtbij te komen, om niet vast te lopen in…
Om even een heel basaal, alledaags voorbeeld te noemen: ik ben zelf nogal iemand die de hele dag kan denken: Ik moet nog even… Ik moet nog even dit klusje doen, ik moet nog even daarheen, ik moet nog even daaraan denken. Dat is mooi, je krijgt er veel mee voor elkaar, maar je snapt waar de valkuil zit. Voor je het weet, ben je de hele dag lijstjes aan het afwerken. Hoe heerlijk is het dan (en soms ook irritant, lastig moeilijk) als je iemand tegenover je hebt, die je daar even uithaalt, die vraagt: van wie moet dat eigenlijk allemaal? En die je even verleidt tot zgn. nutteloze tijd, tot speelsheid, tot ja…om het leven te ontvangen. En daarin juist iets van God te herkennen.
Hetzelfde kan ons overkomen in ons geloven, dat bewust maar vaker nog onbewust geladen is met vaststaande beelden van hoe het hoort, hoe het moet, hoe het ‘goed’ is en waar we het zgn. ‘eeuwig leven’ mee bereiken. Maar ondertussen leven we voorbij aan waar God ons wil verrassen, wil wakker roepen, hier en nu wil uitnodigen “om het leven te ontvangen ”. Jean Jacques Suurmond zei ooit eens: veel mensen geloven meer in hun eigen geloof, dan in God. Om zoiets lijkt het Jezus hier ook te gaan. Hoe open ben je, als God, als Jezus, als het leven zich voor je ogen aandient… dat is het eerste.

Het tweede is de hunkering naar erkenning die Jezus blootlegt, het zoeken naar eer, zoals het in de tekst staat. Nogal hard zegt Jezus tegen zijn omstanders dat ze geen liefde voor God in zich hebben, dat ze van elkaar wel eer willen ontvangen maar niet van God zelf. Ze zijn wel uit op elkaars waardering, elkaars erkenning, elkaar hooghouden, maar keren zich niet naar binnen in een zoektocht naar God, in het verborgene, in de verstilling, in de rust, in het niet geziene.
Een kritische vraag van Jezus, die nu nog net zo actueel is als toen. Op wiens waardering ben je uit in al je doen en laten? Wiens erkenning mag jouw beslissingen, jouw visies beïnvloeden? Door wie wil je uiteindelijk geprezen worden? De eerder genoemde Sigrid Kaag zegt daar in haar documentaire iets moois over, op een moment als ze zojuist ontvangen is met veel egards, zwaaiende mensen, rode lopers etcetera in haar eerdere functie als diplomaat. Ze zegt dan zoiets als: dat gaat niet om mij, ik bekleed een ambt, die lof, die erkenning, die waardering, dat is zo weer voorbij, als ik hier straks als Sigrid kom staat er niemand meer te zwaaien. Ze wil maar zoveel zeggen als dat het daar niet om gaat, maar uiteindelijk, ten diepste om die innerlijke zoektocht naar de bron, naar het geweten, naar de integriteit om je werk te doen zonder gericht te zijn op die uiterlijke eer. In een wereld waarin het veel draait om gezien te worden, geprezen te worden, likes te krijgen, is dit een broodnodige tegenstem: van wie wil je eigenlijk eer ontvangen, op wiens waardering ben je uit of durf je naar binnen te keren, naar God toe, om je werkelijke drijfveren te onderzoeken van je doen en laten, je manier van geloven en leven, los van wat voor waardering en erkenning dat oplevert van de mensen om je heen.

Twee vragen aan ons, die Jezus hier stelt, die ons laten proeven van de vrijheid, de vrijmoedigheid die Jezus in zelfvertrouwen en godsvertrouwen uitstraalt. Hoe open ben je, blijf je om het leven, werkelijk leven te ontvangen, en wiens erkenning heb je nu eigenlijk nodig? En het mooie, het opvallende is, dat Jezus daarin niet naar zichzelf verwijst, maar verder wijst naar de bron, naar de Vader met wie hij zich zo verbonden voelt, en naar het leven.
Hij wijst niet naar zichzelf toe, maar van zichzelf af. Dat maakt uiteindelijk dat hij werkelijk te vertrouwen, werkelijk betrouwbaar is, in Gods naam.