Logo van de kerk

overweging in 2020 op 6 september

Overweging op 6 september 2020

Inleidende woorden op de Schrift

Het was een keer helemaal aan het begin van de coronatijd dat ik in de supermarkt was. Het was er bevreemdend rustig, iedereen kwam alleen, karretjes werden keurig schoongemaakt en iedereen bewoog zich behoedzaam om elkaar heen, bewust van de anderhalve meter. U weet zich die sfeer van het begin zich vast nog wel te herinneren. Tot er één man klossend op zijn klompen met zijn zoon in zijn kielzog binnenkwam lopen en luidruchtig door de winkel heen ging alsof er niks aan de hand was. Ongemakkelijk werd er naar hem gekeken, wist hij nu echt niet wat er van hem verwacht werd? Snapte hij niet dat zijn gedrag ook onmiddellijk gevolgen had voor de andere klanten? Zou iemand er iets van zeggen? Maar wie dan? En hoe dan? Uiteindelijk was het de caissière die hem met rode konen aansprak op zijn gedrag toen hij bij de kassa ook nog eens contant wilde betalen…
Het gaat vandaag in de teksten die we lezen bij Ezechiel en Matteus over elkaar aanspreken, verantwoordelijkheid dragen voor, op elkaar betrokken zijn, juist als het mis dreigt te gaan. Een super actueel thema.

Geliefde mensen van God, gemeente van Christus,

Tja, die man in de supermarkt, ik roep hem nog maar even voor onze ogen op, ziet u het voor zich? Misschien heeft u zelf ook wel eens zoiets meegemaakt in de afgelopen tijd? Het ongemak, de aarzeling van eigenlijk iedereen wat nu te doen.
Je zou kunnen zeggen, we waren het ontwend geraakt, ja misschien er zelfs wel huiverig voor geworden, het elkaar aanspreken op elkaars gedrag, op je houding, op hoe je je opstelt tegenover de ander. Misschien omdat je - niet onterecht - bang was voor de gevolgen, de reactie van de ander, misschien omdat je bang was betuttelend over te komen en misschien vooral omdat het niet echt nodig was in een samenleving waar iedereen toch vooral zijn eigen leven leidt en zijn eigen gang gaat. Leven en laat leven. Waar zou je je mee bemoeien, wie ben jij om een oordeel uit te spreken, de ander de maat te nemen.

Tot de corona kwam….

Ineens konden we niet meer gewoon langs elkaar heen leven, had ons eigen gedrag op straat, in de supermarkt, of welke plek dan ook gevolgen voor de ander, en andersom net zo goed. Sta jij netjes te wachten tot er een karretje vrij komt op anderhalve meter, glipt er een ander zomaar tussendoor. Loop jij in gedachten door de supermarkt tegen de route in, wijst een wildvreemde je ineens op die pijlen en jouw onoplettendheid. Door de corona werden we ineens weer heel erg gedwongen werkelijk samen te leven, in plaats van alleen temidden van anderen je eigen gang te gaan, we werden gedwongen rekening te houden met, zorg te dragen voor.

Een woord wat in deze context heel vaak is gevallen in het publieke gesprek is het woord “verantwoordelijkheid ” en nog steeds gaat het daarover. De intelligente lockdown was gebaseerd op de aanname dat alle burgers hun eigen verantwoordelijkheid zouden nemen, samen zijn we verantwoordelijk voor elkaars gezondheid, niet alleen voor je eigen. Het is interessant om te zien hoe dat begrip verantwoordelijkheid zich ontwikkeld heeft nu we een half jaar onderweg zijn. Van een sterk gezamenlijk gevoelde verantwoordelijkheid in het begin, naar verantwoordelijkheid neerleggen bij bepaalde groepen zoals de jongeren in de zomer, naar een meer formeel, juridisch begrip, wanneer het gaat over protocollen, handhaving en toezicht, wie is waar verantwoordelijk voor, en waar stopt die verantwoordelijkheid, wanneer moet je er iets van zeggen en wanneer kun je schouderophalend zeggend: tja, iedereen heeft ook zijn eigen verantwoordelijkheid.

Ben ik mijn broeders hoeder?

Alsof we weer opnieuw zoeken naar hoe ons tot elkaar kunnen verhouden. In hoeverre draag ik verantwoordelijkheid voor die ander, hoe ver gaat mijn bemoeienis, mijn betrokkenheid op hem/ haar en andersom, wanneer zeg ik er iets van of juist niet? Of bijbels gezegd, met die allereerste serieuze vraag van de mens aan God: ben ik mijn broeders hoeder?
In beide teksten is dit vanmorgen de gemene deler, beide teksten steken in op verantwoordelijkheid dragen voor…., betrokken zijn op de ander, je broeder, je zuster, ja en zelfs daar iets van zeggen, als het mis dreigt te gaan, de ander erop aanspreken, niet zwijgend toekijken. Bij Ezechiel wordt de profeet in ballingschap behoorlijk stevig aangesproken door God zelf op zijn taak, zijn belangrijkste verantwoordelijkheid, namelijk het volk waarschuwen voor hun verkeerde wegen en hen oproepen tot ommekeer, tot nieuwe wegen. Als je dat niet doet, Ezechiel, klinkt er nogal dreigend, dan hou ik jou verantwoordelijk voor het lot van het volk, als je het wel doet, dan draagt het volk zelf verantwoordelijkheid, wat ze kiezen, jou zal ik er dan niet meer op aanzien. De profeet als een wachter bij de poort…

Bij Mattheus speelt het zich af binnen de gemeente van Christus, hoe je een ander kunt aanspreken, of hoe jij aangesproken zou moeten worden binnen de gemeenschap van broeders en zusters als de ander of jijzelf ernaast zit. Bijna protocol-achtig zijn de stappen opgesteld, die je moet doorlopen in dat aanspreken van elkaar, eerst onder vier ogen, daarna met één of twee anderen erbij, en dan en pleine public.
Hoewel het misschien de beklemming op kan roepen van sociale controle, of zoiets als kerkelijke tucht, is er nog altijd veel voor te zeggen dit protocol te volgen. Als het al lukt om stap één te doen, iemand zelf aanspreken onder vier ogen over wat je dwars zit, en niet via anderen, of een boze mail, of via indirect afkeurend gedrag dan is er al een wereld gewonnen. Dan hoop je niet eens toe te komen aan de volgende stappen.

Kracht van de gemeenschap

Wat wezenlijk achter de beide teksten schuil gaat en ook, denk ik, achter de huidige situatie is het thema van de kracht van de gemeenschap. Hoe staat het daarmee, hoe komt dat aan het licht, wat bouwt die kracht op of breekt ‘m juist af? Juist als er problemen en conflicten of crises zich voordoen, ontdek je hoe het er werkelijk voor staat, met die gemeenschap dan blijkt pas wat de kracht van de onderlinge band is, of die het houdt, of je het uithoudt met elkaar of dat het uit elkaar valt als los zand.

Er was in 2019 een interessant onderzoek gedaan naar aanspreekgedrag en daarin bleek dat juist mensen in de provincies Friesland, Drenthe, Overijssel en Gelderland elkaar het gemakkelijkst durfden aan te spreken op elkaars gedrag, dat waren precies de provincies waar ook de meeste betrokkenheid op elkaar werd gevoeld, waar de meeste sociale samenhang, de meeste kracht van de gemeenschap werd gevoeld. Elkaar aanspreken, verantwoordelijkheid dragen voor elkaar, gaat dus ook altijd over wat je kracht is samen, wat je bron is waaruit je put.
Niet voor niets eindigt de passage in Mattheus met die woorden van Jezus: waar twee of drie in Mijn naam bij elkaar zijn, daar ben Ik in hun midden. Dat is niet bedoeld als schrale troost bij verminderde kerkgang, maar dat gaat over waar de kracht van de gemeenschap zit, waar de kracht van onderlinge band vandaan komt, namelijk Christus die in ons midden is,.dát niet uit het oog verliezen, als we elkaar in het oog houden. Christus die in ons midden is.
Dat gaat over hoe de verhoudingen liggen onderling. Als het gaat om elkaar aanspreken op iets, dan ontstaat er al snel, bedoeld of onbedoeld, een houding van superioriteit, van macht in de zin van: ik weet het beter, ik doe het goed en jij niet, ik zal jou zeggen hoe het moet. Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben ik in hun midden, herinnert eraan dat we in Christus aanwezigheid volstrekt gelijk zijn, dat de één niet boven de ander staat, en dat je spreekt in zijn aanwezigheid, nabijheid, wat maakt dat je je woorden, je houding zorgvuldiger kiest en dat de kracht niet ligt in de banden die wij wel of niet smeden, ervaren of voelen, maar allereerst dat we bij elkaar gebracht, gegeven zijn door Hem.

Áls het gaat over wat de gemeenschap afbreekt, door dingen die niet tot hun recht komen of door alles wat tussen ons in staat, en wat scheidslijnen trekt, samengevat in het woord “zonde”. Áls het daar over gaat, over die gebrokenheid, dán moet het ook gaan over wat opbouwt, wat heelt, wat kracht geeft, ja, misschien moet het daar zelfs wel eerst over gaan als je merkt dat er van alles wringt, schuurt, breekt, broos is in de verhoudingen onderling, dat het dan allereerst moet gaan over: wat was het ook alweer wat ons samenbracht en brengt, wat kracht geeft, waar ligt ons gezamenlijke verlangen. En hoe houden we dat in het oog met de huidige frictie, situatie, breuken etcetera.

Langs welke weg begin je?

Ik moest even denken aan hoe ik ooit aan het begin van mijn predikantschap een rouwgesprek moest voeren, waar ik huizenhoog tegenop zag, omdat in de dagen ervoor de kinderen van de overledene mij om de beurt opbelden om te zeggen wat broer- of zuslief wel niet verkeerd had gedaan, en wat ik allemaal wel of juist niet moest doen, of zeggen tegen die ander, en dat ik zeker niet moest geloven wat hij of zij zei.
Ik was ondertussen alvast maar begonnen met het opstellen van een lijstje gespreksregels om maar een beetje de boel onder controle te houden. Een protocol.
Een beetje wanhopig belde ik mijn mentor op, die eerst grinnikend zei dat dit de krenten uit de pap zijn, maar vervolgens zei: wat nou als je eerst eens begint met waar hun verlangen ligt, hun hoop voor dit gesprek en deze dagen? En dat bleek uiteindelijk bij een ieder gelijk, hun moeder een afscheid geven dat haar recht deed, met liefde en respect, dat was de kracht van hun kleine gemeenschap samen, hun verlangen, hun hoop, en ook al waren daarmee alle strubbelingen en ongemakken niet uit de weg, toch bleek het een basis, een kracht te zijn waarnaar we telkens weer terug konden keren, als het gesprek moeizaam, of breekbaar werd of verviel in oordelen en terechtwijzingen alleen.

In deze tijd waarin we zo zoekend zijn naar nieuwe verhoudingen, in de samenleving, en ook in de kerk zoekend naar wat wel en niet kan, wat wel en niet mag en hoe een ieder daarmee omgaat, met alle gedachten en ideeën die we daar zelf bij hebben, in een tijd waarin de gezamenlijke gevoelde verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar niet meer als vanzelf komt, en je allemaal op verschillende golflengtes aan het praten en leven bent, dan loop je het gevaar dat het gesprek verzandt in regels, protocollen, in beheersingsdrift, in elkaar terechtwijzen, dan loop je het gevaar dat je vastloopt in de angst verantwoordelijkheid te dragen omdat je er op zou kunnen worden afgerekend. Zoals ik met dat rouwgesprek het wilde aanpakken. Niet via kracht, maar via regels. Het had de openheid van de kinderen niet bevorderd durf ik nu wel met zekerheid te stellen.

In het beluisteren van de Bijbelteksten van vandaag hoor ik vooral de bemoediging om telkens ook samen op zoek te gaan naar de kracht van de gemeenschap, het verlangen, de hoop, elkaar daar op aanspreken, op bevragen, dat het daar telkens weer mee begint, dat je daar telkens weer naar terug kunt keren. Dat Christus er is, vanaf het kleinste begin, waar twee of drie bij elkaar zijn, hier, thuis, in een gesprek op straat, zoals bij Mattheus. Dat God altijd uit is op heil, heelheid, nooit genoegen schept in wegen die doodlopen, in leven dat doods is, zoals bij Ezechiel, dat is onze kracht, waar het mee begint in de gemeenschap van mensen en God.

Man op klompen

Ik moet nog even denken aan die man uit de supermarkt, klossend op zijn klompen, alsof hij nog nooit van corona had gehoord, wat zou ik erop terugkijkend dan nu tegen hem zeggen, vanuit deze bespiegelingen, zou ik hem aanspreken en zo ja hoe dan? Als ik zou willen beginnen vanuit de kracht, de hoop, het verlangen. Wat had u, jij gedaan, gezegd?

Misschien toch maar gewoon afstand houden, laten lopen en met een glimlach beseffen: Wat goed dat er iemand is die ons herinnert aan hoe het was en ooit weer zal zijn.

Amen