Logo van de kerk

overweging in 2020 op 4 oktober

Overweging in 2020 op 4 oktober

Overweging Daniel 2: Dromen

Ik heb een werkdroom. Als ik het heel druk heb of soms als het einde van de vakantie nadert, dan is er zomaar die werkdroom en die gaat altijd over hetzelfde, met wat kleine variaties per keer. Ik moet voorgaan in een dienst en ik sta al in de consistorie, of soms zelfs al op de kansel, maar ik heb mijn papieren niet bij me en ik kan me met geen mogelijkheid herinneren wat ik voor die zondag bedacht heb of waar de preek over gaat. En dus wring ik me dan altijd in allerlei bochten om toch nog voor te kunnen gaan, maar altijd word ik wakker voordat dat gelukt is.
In de nacht, in je dromen lijkt alles anders, Het kan het spoken, onrustig zijn, en vooral heel reëel, alsof het echt zou kunnen gebeuren. Waar we onszelf overdag in het licht tot de orde kunnen roepen, realistisch de opties kunnen overwegen, hebben we die grip in de nacht niet en wordt ons iets onthuld, wat zich in de verborgenheid van ons hart zich afspeelt, van onze angsten, verlangens, zeker- en onzekerheden.

Werkdroom

Koning Nebukadnessar droomt, een werkdroom zou je kunnen zeggen. Een onrustige droom, angstig, een droom die iedere heerser vroeg of laat begint te belagen. Wie zichzelf onsterfelijk probeert te maken, wie zich goddelijk waant met de bijbehorende verwachtingen en machten, die zal zich op een gegeven moment onherroepelijk afvragen, of het wel waar is, of het wel gestand houdt, want wat als het niet genoeg is, mijn macht, mijn invloed, mijn zgn. onsterfelijkheid, wat als het me tussen de vingers doorglipt, als de mensen zich van me afkeren, als de kiezers me niet meer willen.
Nebukadnessar, hij wil het wel en toch ook weer niet horen, die grootste angst die in zijn droom verborgen ligt, die droom die hij wil vergeten maar hem toch ook niet loslaat, en daarom stelt hij een onmogelijke eis aan de wijzen die hij laat komen, je moet niet alleen mijn droom uitleggen maar me ook vertellen wat ik gedroomd heb, zo niet dan laat ik je in stukken hakken.
Degenen die iets over zijn droom zouden kunnen zeggen, hij legt hen zo’n onmogelijke eis op dat het hem reden geeft om ze uit de weg te ruimen, en met hen de waarheid die ze hem zouden onthullen over hemzelf, zijn vastklampen aan de macht en de angst die kwijt te raken.

Op het moment dat het verhaal van Daniel wordt geschreven gaat het volk Israël, zo klein als ze is, zwaar gebukt onder Antiochus IV, koning van Syrië. Deze heerser wil alles maar dan ook alles wat eigen is aan de Joodse identiteit uitwissen, de sabbat, de feesten, de spijswetten en ten diepste de stem van hun God.
Alles moet opgaan in één grote, algemene cultuur, bij elkaar gehouden door één macht, in één rijk, aangevoerd door Antiochus, die zich god waant. En zoals altijd wanneer je als mens, als volk midden in een bepaalde tijd zit, dan lijkt er geen einde aan te komen, dan lijk je erin te verdrinken, lijkt er op geen enkele manier een uitweg mogelijk te zijn, zo was het ooit voor het volk Israël, zo is het nog steeds, dat kunnen we in deze tijden misschien wel beter dan ooit aanvoelen.
Dan heb je een verhaal nodig, dat je elkaar kunt vertellen, een verhaal dat je weer hoop geeft, dat je laat dromen, dat je houvast in handen geeft om het vol te houden. Het lijkt misschien zo kwetsbaar, maar toch, een verhaal dat als dynamiet is tegenover die grote macht die als een verstikkende deken over je heen ligt. Zo’n verhaal is Daniel, zo is het ooit geschreven, voor toen en voor nu nog steeds.

Eigentijdse Daniel

Herkent u deze man? Het is Gor Katchikyan, arts op de spoedeisende hulp in Tilburg en iemand die onverwacht tijdens de lockdown dit voorjaar het gezicht van hoop en vertrouwen werd in alle onrust en onzekerheid die er was, iemand die ook onbekommerd en vrijmoedig over zijn bron, zijn geloof spreekt, zonder dwingend te zijn, of betweterig maar inspirerend, nieuwsgierig makend.
Twee weken geleden was hij, na onze eerste dienst over Daniel, in gesprek bij het programma de Verwondering en ik zag het en dacht: dit is de Daniel van nu, iemand die als vreemdeling ooit terecht kwam in een totaal nieuw land, nieuwe taal, tussen nieuwe mensen die zich niet afsloot voor die nieuwe cultuur of omgeving, maar zich juist helemaal gaf, die al medicijnen ging studeren toen hij nog niet eens zeker wist of hij mocht blijven en nu degene is geworden aan wie velen zich vastklampen: we gaan voor u zorgen, u bent in goede handen, zegt hij keer op keer tegen zijn patiënten.
Eén ding had hij niet overgenomen van de Nederlandse cultuur, zo vertelde hij in een ander interview. Toen hij in de loop van zijn tijd hier werkelijk tot geloof kwam, ook al was hij als Armeniër van huis uit christelijk, toen hij hier werkelijk tot geloof kwam, toen merkte hij dat hij zich ook, net als de Nederlanders ging schamen voor zijn geloof, voor zijn bron, zijn inspiratie, dat hij dat wat ging verdoezelen, daar in bedekte termen over praten, tot hij besloot daarmee te stoppen en vrijmoedig te delen van wat hem inspireert. Een verhaal, zijn levensverhaal als dynamiet tegenover de verstikkende deken van onverschilligheid, aarzeling, of twijfel en wanhoop als het om geloven en God gaat, iemand die een geheim met zich meedraagt dat nieuwsgierig maakt.

Zo stel ik me Daniel voor tegenover die Nebukadnessar. Vreemd genoeg krijgt Daniel alle ruimte. Zo veel druk als de koning op zijn eigen wijzen zet, het mes op de keel met de dreiging hen in stukken te hakken, zo doodgemoedereerd vraagt Daniel of de koning hem even wat tijd kan geven. En dan zoekt Daniel zijn vrienden op, hij vraagt hen te bidden, hij weet dat hij het niet alleen kan, en als hem dan het één en ander duidelijk is geworden in een droomgezicht, dan spreekt hij allereerst een lofprijzing uit, een prachtige lofprijzing, over God die geprezen is van eeuwigheid tot eeuwigheid, God, die koningen afzet en aanstelt, die troont boven alle tijden uit, die onthult wat verborgen is, die weet wat er in het duister is gehuld, en bij wie het licht woont,

Wat een lef, wat een vertrouwen, wat een inspiratie en bemoediging gaat daarvan uit, Want laten we nog even bedenken wie Daniel is, een balling, een gevangene, een vreemdeling, weliswaar slim en pienter, maar iemand die niet veel in melk te brokkelen heeft, wiens lot aan een zijden draadje hangt in de handen van mensenmacht en toch spreekt hij onbekommerd over zijn verbinding met een macht die daar ver boven uitgaat, de Ene wiens wapen licht is, en wijsheid en kracht, de enige aan wie Daniel zich toevertrouwt.

Kleine steentje

Wat intrigerend is in die droom van koning Nebukadnessar, is dat kleine steentje dat aan komt rollen en niemand weet waarvandaan, maar dat uiteindelijk zorgt dat dat hele kolossale beeld kantelt en verwaait als stof in de wind. Dat steentje kennen we eigenlijk allemaal wel, die ene kleine verandering, dat ene moment, die ene gebeurtenis of beslissing, waarvan we vaak niet weten waar het vandaan komt of hoe het komt en dat toch alles op zijn kop zet en alles wat voorheen onverwoestbaar leek, in elkaar doet vallen.
Het virus, zei iemand afgelopen dinsdag, lijkt ook wel zo’n steentje, dat alles in elkaar heeft doen storten en tot stof heeft doen verwaaien. Al onze ideeën over de maakbaarheid van ons leven en deze wereld, over wat we kunnen en willen, het is onderuitgehaald door zo’n klein steentje waar niemand weet waar het vandaan komt.

In je eigen leven kunnen er van die kleine steentjes zijn, waarvan je geen idee hebt waar ze vandaan komen, maar die alles doen kantelen, een bericht over je gezondheid, het verlies van een dierbare, een waarheid die zich aandient over jezelf, over je leven, dingen die je misschien uit alle macht ver van je weg hebt proberen te houden en die je toch inhalen. En wat is dan de grond waarop je kunt staan, als alles verwaait en zwicht en als het stof is opgetrokken?

Een andere droom

Tegenover de droom van Nebukadnessar, over koninkrijken die komen en gaan, over koningen die macht verkrijgen maar ook onherroepelijk weer verliezen, vroeg of laat, stelt Daniel een andere droom, een droom die telkens weer terugkomt in de Bijbel bij monde van de profeten, en in harten van mensen, een droom die door alles heen sijpelt, welke grootmachten er ook voorbij trekken, en die niet te verwoesten is een verhaal als dynamiet, over een rijk dat niet gestoeld is op macht, op ego, op vasthouden en overheersen, maar op recht en vrede en brood genoeg voor alles en allen, met een koning die gekend wordt om zijn licht, wijsheid en kracht, die zoekt om met mensen te zijn daar waar ze in de verdrukking zijn, een koning die jou niet zoekt om je grootdoenerij, en hardheid maar juist in alle kwetsbaarheid, jij met je angsten die met je aan de haal gaan in de nacht, of met je onrust over of het genoeg is, een koning die weet wat er is in het duister maar bij wie het licht woont.

Tegenover de droom van Nebudkadnessar die iets in ons oproept van onszelf groot maken, ons wapenen, ons verschuilen achter een groot beeld van onszelf, daartegenover stelt Daniel en de zijnen die droom van een rijk waarin de mens achterover mag zitten, ontspannen, een ieder onder zijn eigen vijgenboom, in vrede met zichzelf en met de wereld om zich heen.
Juist in een tijd als deze hebben we deze dromen, deze verhalen, deze mensen als Daniel om ons heen broodnodig, om het vol te houden en om uitzicht te houden, om ons niet over te geven aan de doemscenario’s om ons heen of in onszelf, maar open te blijven leven voor Gods aangezicht.

Moge God ons en mogen we elkaar hierbij helpen, in Jezus’ naam,

Amen.