Logo van de kerk

overweging in 2020 op 26 april Els Deenen

Overweging 26 april 2020 - Els Deenen

Sporen van God

Tijdens een cursus geestelijke begeleiding mocht ik een keer mijn ‘spirituele autobiografie’ maken. Op een lange strook papier moest ik mijn levenslijn tekenen, met betekenisvolle momenten en ontmoetingen. In verschillende kleurtjes, al naar gelang de kleur van de periode of de gebeurtenis, met jaartallen, namen, tekeningetjes of trefwoorden erbij. En toen ik zo mijn leven min of meer overzichtelijk in kaart had gebracht, werd ik uitgenodigd om onder mijn levenslijn mijn geloofslijn te tekenen. Welke gebeurtenissen, welke mensen waren belangrijk geweest voor de ontwikkeling van mijn geloof? Met welke geloofsvragen en thema’s had ik geworsteld, en wanneer dan? Daarna kwam de spannende opgave om te kijken hoe mijn levenslijn en mijn geloofslijn met elkaar te verbinden waren. Waar de samenhang zat. Het werd mij duidelijk hoe ik juist aan de crisismomenten in mijn leven ben gegroeid, als mens, en als gelovige. En ik ontdekte dat ik de sporen van God in mijn leven vaak pas achteraf kon zien, of als zodanig kon benoemen. Vertrouwen op Gods aanwezigheid ligt niet altijd voor het grijpen. ‘Geloven’ is niet iets dat je met een knopje ‘aan’ of ‘uit’ kunt zetten. Het wil keer op keer opnieuw veroverd worden.

Zoeken naar een nieuw begin

Soms zit er een knip in je leven. Een gebeurtenis die je leven verdeelt in een ‘ervoor’ en een ‘erna’. Dat kan iets persoonlijks zijn, zoals een verhuizing, het tegenkomen van je grote liefde, een ernstige ziekte, een omslag in je werk, of het verlies van iemand die je dierbaar is. Maar dat kan ook iets zijn dat ingrijpend is voor de samenleving als geheel, zoals een oorlog, een natuurramp, of, zoals nu: een pandemie. Soms is zo’n verandering een eigen keuze, maar meestal gaat het om iets ongeplands, iets dat je overkomt.

Het leven na een knip is altijd anders dan daarvoor. Niet alleen omdat de omstandigheden anders zijn, maar vaak ook omdat jij veranderd bent. Een knip is een momentopname, maar daarop volgt vaak een wat langere periode, waarin je je te verhouden hebt tot de verandering in je leven, waarin je als het ware opnieuw moet ontdekken wat dat voor je betekent, en hoe je het leven nu vorm wilt geven. Carel ter Linden schreef een boekje over ‘leven na verlies’ onder de titel ‘Een land waar je de weg niet kent’. En dat betekent een zoektocht, naar nieuwe perspectieven en mogelijkheden, maar ook met alle onzekerheid en tegenvallers die daarbij horen. Wat houdt je op de been, tijdens zo’n zoektocht, en wat geeft je richting? En waar is God, in al jouw zoeken?

Waar is het ook alweer om begonnen?

Hoeveel paar voeten zijn ze? Twee-, drieduizend? Na de bevrijding uit het land van de angst trekken ze door de woestijn. Als je de levenslijn van het volk Israël zou tekenen, dan is de uittocht uit Egypte beslist een knip. Met dat ze het water van de Rode Zee zijn doorgetrokken, en veilig op de andere oever staan, breekt er een nieuwe periode aan. Bevrijd – ja zeker, maar nu? In de woestijntijd tussen het onvrije slavenbestaan in Egypte en het land van belofte moet de toekomst gaandeweg gestalte krijgen. Wie zijn ze eigenlijk, als volk, nu ze in vrijheid kunnen leven? Welke verantwoordelijkheden brengt dat met zich mee? Wat kunnen ze daarbij van God verwachten?

Aangekomen in een land waar ze de weg niet kennen, moeten ze eerst maar eens zien te overleven. Er ligt geen blauwdruk voor het leven na de bevrijding klaar. De euforie van na de bevrijding heeft plaatsgemaakt voor een overlevingstocht zonder survivalgids. Gelukkig heeft Mozes ervaring in het leven in de woestijn, vanuit de periode dat hij er de schapen van zijn schoonvader Jethro hoedde. Dagelijks rapen ze manna. God geeft hen steeds genoeg voor één dag. Het manna laat zich niet bewaren. Alleen op de zesde dag is er voldoende voor twee dagen, en blijft het voedsel goed. Zo bewijst God zich elke dag opnieuw, al durft niet iedereen daarop te vertrouwen. Sommigen proberen te hamsteren, anderen trekken er ook op de sabbat op uit om eten te zoeken. Maar ze keren met lege handen terug.

Op de zevende dag biedt God zijn volk een rustdag aan. Midden in de woestijn, midden in dat onherbergzame bestaan, is daar ineens het vieren van die zevende dag. Eén dag vrij van de moeite om te overleven, één dag vrij van de zorg voor het dagelijks brood. Een dag om op te ademen, en het leven te vieren. Een dag om vanuit een ander perspectief naar het leven te kijken. Een heilige dag, die je weer bepaalt bij waar het allemaal om begonnen is, ooit, toen bij de schepping: om leven dat goed is, waarbij mens en schepping tot hun recht komen. Een dag om het visioen van het land van belofte weer scherp te stellen, en kracht op te doen voor het vervolg van de reis.

Eerst zien, en dan geloven…

‘Geloven’ wil keer op keer opnieuw veroverd worden. Vertrouwen op Gods aanwezigheid is, ook voor het volk Israël, geen uitgemaakte zaak. Onbekend met de woestijn blijven ze heen en weer pendelen tussen gemor en vertrouwen. Als het water op dreigt te raken lopen ze te hoop tegen Mozes. Honger en dorst bepalen hun manier van voelen en kijken. Het perspectief van het beloofde land vervaagt bij de herinnering aan het slavenland, dat in ieder geval voldoende eten, drinken en veiligheid bood. Ze leggen de vertrouwensvraag ondubbelzinnig op tafel: Is God nu in ons midden of niet? Eerst zien, en dan geloven.

Waarom komen jullie bij mij, vraag Mozes, en waarom stellen jullie God op de proef? Hij voelt zich bedreigd door hun woede. En hij wendt zich tot de Heer. Neem je staf, Mozes, zegt die, ik wacht je op bij de Horeb. Eigenlijk weten we dan al dat het goed komt. Die staf zijn we vaker tegengekomen in dit verhaal. En gelukkig is daar bij de Horeb dan die God van de uittocht, die ook de God van de doortocht blijkt te zijn. Levend water stroomt uit de rots. De hoop laait weer op. Voor zolang als het duurt.

De toekomst is al gaande

Hoe vaak gebeurt het niet dat het leven dichtslibt als gevolg van wat we er allemaal hebben ingestopt, of wat we menen nodig te hebben? Twee maanden geleden was ons leven nog ‘gewoon’ – we waren allemaal op onze eigen manier druk, met ons zelf, met ons werk, met onze contacten en dagelijkse bezigheden. En ineens heeft een virus ons leven op z’n kop gezet. Ik weet niet hoe we over een aantal jaren op deze periode terug zullen kijken, maar het zou zomaar eens een knip in ons bestaan kunnen zijn, met een ervoor en een erna. Voor sommige mensen is het een dagelijkse overlevingstocht, waarin ze vooral het fysieke contact met de mensen die hen lief zijn moeten ontberen. Anderen maken zich langzamerhand echt zorgen om hun dagelijks brood en hoe dat te verdienen. Maar veel mensen hebben de afgelopen weken de tijd en de ruimte ervaren om opnieuw te ontdekken wie en wat er van belang is in ons leven. Wat ballast is geworden. Wat eigenlijk best anders - en vooral ook met minder - kan. Wat er aan waardevols vlak voor onze voeten ligt, waar we het zicht op waren kwijtgeraakt. Voor de vitale beroepen is het een periode van aanpoten. Zij ontdekken hoe er zonder alle regeldruk ruimte komt voor het echte werk, daar waar hun hart ligt. Voor samenwerking dwars door lagen van de organisatie heen. Voor vernieuwing. Voor onderlinge zorg en hulp. Nu we heel voorzichtig nadenken over hoe het leven weer op te pakken, merk je hoeveel mensen aan het nadenken zijn over wat deze periode ons aan goeds kan brengen. Dat er zich een toekomst begint af te tekenen die er mogelijk anders uitziet. Niet zozeer omdat het voortgaan op de oude voet niet meer kan, maar omdat we dat ook niet meer willen. Deze tijd maakt ons creatief, ook wij staan voor de uitdaging het leven opnieuw vorm te geven, onze samenleving anders in te richten.

In de nieuwsbrief van vorige week heb ik u twee vragen gesteld:
Allereerst: wat ervaart u in deze tijd vol beperkingen nu als waardevol? Dat kan iets zijn dat u nu juist mist, omdat het niet mogelijk is, waarvan u zich nu realiseert: dat is voor mij van levensbelang. Dat kan ook iets zijn dat nu juist wél mogelijk is, omdat er ruimte voor ontstaat.
En de tweede vraag was: Wat is nu uw verlangen voor de nabije toekomst? Dat kan een verlangen zijn dat betrekking heeft op uw persoonlijk leven, of op dat van onze kerkelijke gemeenschap, of op onze samenleving…welke waardevolle ervaringen van deze tijd zou u mee willen nemen naar de toekomst?

Een wolk die richting geeft

Van alle binnengekomen reacties heb ik een woordwolk gemaakt. Antwoorden die vaak voorkomen, zijn daarin met grotere letters weergegeven dan opmerkingen die niet zo vaak voorkwamen. Terugkerende opmerkingen krijgen meer gewicht. Zo kunnen we in één oogopslag zien wat voor ons waardevol is in deze periode, en waar we in de toekomst wel wat meer van zou willen zien.
Als u de woordwolk even goed op u laat inwerken, dan valt op dat de natuur daarin een grote plek inneemt: buiten zijn, schone lucht, genieten van de rust en stilte, van zingende vogels, van wandelen en fietsen – de schepping doet ons goed.
Een andere rode draad in de antwoorden draait om de contacten met mensen die ons lief zijn: familie, vrienden, de behoefte aan echte ontmoeting, aanraking, de tijd hebben voor elkaar en voor goede gesprekken, het ‘gewoon’ even bij elkaar binnen kunnen lopen – we realiseren ons in deze tijd eens te meer hoe broodnodig dat voor ons is. Dankbaar zijn we voor andere vormen van contact, kaartjes, telefoontjes, daadwerkelijke hulp, maar het haalt het niet bij een lijfelijke ontmoeting.
In verschillende reacties valt te lezen hoe – tot onze verbazing – het meevieren van de diensten via de livestream ons ontroert en inspireert. Hoe we thuis een kaars aansteken, hardop meezingen en bidden, en pas ná de dienst een kopje koffie inschenken. Hoe we ons ook op deze manier verbonden voelen met de gemeenschap van de Ontmoetingskerk. Hoe we verlangen naar de dag dat we weer gewoon naar de kerk kunnen gaan, en niet alleen samen kunnen vieren, maar vooral ook weer samen kunnen koffiedrinken – en de blije gezichten die bij die dag zullen horen!

Deze tijd doet ook iets met de innerlijke mens: er is het genieten van de plotselinge vrijheid nu allerlei verplichtingen wegvallen, de rust die dat oplevert in ons hoofd, de ruimte voor contemplatie, de dankbaarheid om gewoon gezond, tevreden en gelukkig te zijn, en onze zegeningen te tellen.
En als we iets verlangen voor de toekomst, dan is het dat we ook aandacht hebben voor wat dit alles met de tweede- en derdewereldlanden doet, en wat dat van ons vraagt. En: dat we minder vliegen en minder reizen, waardoor er minder files zijn, en verkeersuitstoot en verkeerslawaai. Dat we ons er opnieuw bewust van worden dat het leven niet maakbaar is, en dat we leren accepteren dat er grenzen zijn. Dat we een nieuwe balans vinden tussen vrijheid en verplichtingen. En sommigen verlangen er ook gewoon naar dat het wordt zoals het was!

Onderscheiden waar het op aankomt

Eén vraag komt in verschillende variaties terug, en dat is deze: zou God een bedoeling hebben met deze tijd? En wat heeft Hij ons dan te zeggen? Of: wat vraagt hij dan van ons?
ormaal gesproken zou ik zeggen: daar moeten we dan maar eens een keertje over doorpraten met elkaar. Maar ja, u zit thuis, en ik zit hier, dus dat gesprek, dat moeten we misschien over een poosje nog maar eens inhalen. Toch wil ik er wel vast een voorschotje op nemen. Vorige week had ik voor mijn werk een interview met Jos Moons, Jezuïet en kritisch theoloog, die onder andere deel uitmaakt van het theologisch elftal van Trouw. Het gesprek ging over gemeenteopbouw en kerkvernieuwing, en we raakten precies de vraag die u hier nu aan de orde stelt: wat heeft God ons te zeggen? Wat wil Hij ons laten zien, waar wil Hij ons de ogen voor openen? Hoe komen we dat op het spoor? Is de Heer nu in ons midden of niet? En hoe weten we dat dan zeker?

Jos zei: dat heeft te maken met het onderscheiden der geesten. Als je God op het spoor wilt komen, moet je voortdurend bedacht zijn op het licht. Onderscheiding der geesten begint bij wat ik aan innerlijke bewogenheid in mijzelf en om mij heen aantref. God openbaart zich niet door boodschapjes die, zoals Herman Finkers dat ooit zo mooi gedaan heeft, aan briefjes naar beneden komen, maar door het innerlijk aanvoelen. In de gemeente kun je elkaar helpen aan te voelen ‘wat goed is’, door daar met elkaar over in gesprek te gaan. Sommige mensen schrikken van het woord ‘onderscheiden’, omdat ze dat wel erg vaag vinden. Het goede nieuws is dat mensen het ook doen zonder dat ze het woord kennen. Als je met iemand trouwt, doe je in feite aan onderscheiden. Je maakt geen lijstjes met voor- en nadelen, maar je voelt in de diepte dat het goed is. En je denkt: laat ik het maar doen! Je hoeft het niet te benoemen om het toch te doen.
Ik wierp tegen: dat doet me denken aan een predikant die eens tegen zijn gemeente zei: “Ik heb een goed gesprek gehad met de Heer, en nu gaan we déze kant op.” Daar gingen mijn haren van overeind staan.
Waarop Jos ze: dan zou ik onmiddellijk vragen: laat God dat ook aan andere mensen weten, hebben die hetzelfde gevoel?

Aan dit gesprek moest ik denken toen ik van de week deze woordwolk maakte.
Ik trof zoveel gemeenschappelijks aan, dat ik dacht: als God ons iets te zeggen heeft, dan spreekt hij misschien wel door deze woordwolk. Dat wij met elkaar prima aanvoelen dat het goede leven alles te maken heeft met tijd en aandacht. Voor Hem, voor de schepping en voor elkaar. Met liefdevolle verbondenheid met mensen dichtbij én ver weg, met verantwoordelijkheid voor elkaar en het milieu. Met keuzes durven maken en grenzen in acht nemen. In het besef dat het leven niet maakbaar is.  En het vertrouwen dat de Heer in ons midden is, en richting geeft. Ooit in de woestijn, op deze zondag, en elke dag opnieuw.

Amen