Logo van de kerk

overweging in 2020 op 20 september

Overweging Daniel 1

Toen ik tijdens mijn studietijd een poos in Nicaragua, Latijns-Amerika studeerde, kwam halverwege een goede vriendin van mij op bezoek. Ik pikte haar op van het vliegveld, en het was meteen dikke lol, omhelzen, blijdschap om het weerzien en hup daarna in de auto op weg naar mijn gastgezin. Maar na een uur of wat, toen we gegeten en uitgepakt hadden en rustig op de veranda zaten, werd ze ineens helemaal beroerd en raakte ook in paniek. Alles kwam eruit en tussendoor zei ze tegen me: ik weet gewoon even niet wie ik hier ben. Alles wat normaliter vertrouwd is of wie vertrouwd is, is weg, is anders, is vreemd. Vreemde mensen, vreemde taal, vreemde geuren, geluiden, grond onder mijn voeten, ja, zelfs het eten is vreemd. Ik weet gewoon niet wie ik hier ben. Je kunt zeggen dat de lange reis haar parten speelde, maar het was ook dat het vreemde, het onbekende haar plotseling helemaal overviel. Geen enkel lijntje meer dat haar vasthield.

Ben je ooit wel eens ergens werkelijke een vreemde geweest? Heb je je ooit wel eens werkelijk een vreemde gevoeld? Voor die goede vriendin kwam het in alle heftigheid op haar af destijds. Maar dat hoeft niet alleen ver weg, dat kan ook hier gewoon heel dichtbij, in gezelschap dat jou om welke reden dan ook vreemd is, die jouw “taal” niet spreekt. Of wanneer je leven zo op de kop wordt gezet, dat je het niet meer herkent. Of jij jezelf niet meer. Ik denk ook even aan de ervaring die je kunt hebben op een operatiekamer, jij als lijdend voorwerp, vreemd en niet op je plek, tussen allemaal mensen die zich vertrouwd in die wereld rond bewegen.

U begrijpt misschien, ik probeer wat op te roepen van de ervaring die we allemaal in meer of mindere mate kennen, ontworteld zijn, ontheemd, losgescheurd als mens. Goddank niet zo als vele vluchtelingen nu aan den lijve ervaren, maar toch…… wat houdt jou dan vast? Waar hou je zelf aan vast? Waar houdt God je vast? Houdt Hij je vast? Of is de hemel dan doof en stom, zoals we zongen?  

Ontheemd

Welkom in het leven van Daniel en zijn vrienden Hananja, Misaël en Azarja. Jonge jongens, waarschijnlijk net bar mitswa gedaan, met nog een heel leven voor zich, maar nu gedwongen weggevoerd uit hun land Israël en meegenomen door de Babyloniërs. Hun stad Jeruzalem, hun thuis ligt in puin, de tempel is verwoest en uit een soort ultieme machtswaanzin heeft de koning van Babel, Nebukadnessar, alle heilige voorwerpen uit de tempel ook meegenomen en bijgezet in zijn eigen schatkamer. De vaten en schalen van de God van Israël dienen voortaan een andere god, en de ballingen die zijn meegevoerd evenzo, dat is de boodschap.

Ze kunnen het wel vergeten, hun thuis, het beloofde land en hun God met zijn beloftes. Wie ze waren, dat zijn ze niet meer en alsof dat nog niet genoeg is, zoekt de koning de meeste knappe, de meest pientere, de meest veelbelovende jongens uit de gedeporteerden om ze op te leiden en om te vormen naar onderdanen zoals hij ze graag ziet. De taal, de gebruiken, de goden, ja en zelfs het eten, drie jaar lang worden ze erin ondergedompeld, in hun nieuwe thuis, en tevreden kan de koning hen dan op audiëntie laten komen. De ultieme machtsuitoefening, is het, iemand helemaal omvormen naar jouw hand, en alles wat was uitwissen.

Want zelfs hun eigen namen mogen ze niet meer houden, wat in Joodse oren zoiets is als doodgaan. Daniel, Hananja, MIsaël en Azarja, in elk van hun naam zit iets van de Godsnaam, maar ze worden vervangen door namen die elk iets dragen van de vreemde goden van hun nieuwe thuis: Beltazar, Sadrach, Mesach en Abed Nego. Vergeet die God van jullie maar, lijkt Nebudkadnessar te willen zeggen. Nu ben ik de hoogste baas, aan mij behoor je toe.

En toch…

Maar net als met dat koppige kind, dat zijn mond niet opendoet, is het enige waar de koning niet zijn macht over kan uitoefenen, datgene wat Daniel en zijn vrienden eten. En laat nu net dat eten of het niet-eten in dit geval het dunne lijntje zijn dat hen verbindt met thuis, met het meest alledaagse dat er is, de maaltijd, en daarin met hun God. Hierin laten ze zien wie ze zijn en blijven. Hoezeer ze ook opgaan in hun nieuwe omgeving, ze zijn en blijven kinderen van de Ene, verbonden met Hem en alleen hem, en niet overgeleverd aan andere goden.

Het is niet een star vasthouden van Daniel aan wat hoort, maar eerder dat in dit dunne lijntje, in de grens die ze hier trekken, hun verbinding met God overeind blijft. Wie er ook zeggenschap over hun heeft, waar het leven hen ook brengt, ten diepste blijven ze hun voedingsbodem vinden in de God die hemel en aarde gemaakt heeft die trouw is aan ieder mensenkind en niet loslaat wat zijn hand begonnen is. En daar blijven ze gezonder en beter doorvoed bij dan de anderen, vertelt het verhaal, ietwat humoristisch. Alsof ze een verborgen voedingsbron hebben, die de anderen niet kennen.

Lijntje

Hoe blijf je geloven, God zoeken en vinden in een omgeving waarin dat niet vanzelfsprekend is? Hoe geef je dat vorm, hoe zorg je dat het lijntje niet breekt, maar je blijft voeden? In allerlei omstandigheden spelen die vragen wel een rol. Toen ooit voor Daniel en zijn vrienden in ballingschap, maar ook hier voor een ieder van ons. Op welke manier hou je het lijntje met God bijvoorbeeld als je aan het werk bent, tussen collega’s die daar nauwelijks iets mee hebben of waar het in elk geval geen onderwerp van gesprek is? Op welke manier blijft God of geloven bij je aanwezig in je leven, als je in een land leeft waarin je vaak zoveel moet uitleggen als je “nog” gelooft? Of, hoe hou je het vol als je in deze coronatijd in je eigen dagelijks leven gevoelsmatig zo afgesneden bent van alle geestelijke voeding, die ooit zo vanzelfsprekend voor je leek? Of wanneer je niet meer kunt geloven zoals je eerder deed en zoekt naar nieuwe wegen, nieuwe vormen?

Al deze situaties en nog vele meer, worden in de bijbel: geloven in ballingschap genoemd. De momenten, de plekken, de tijden in je leven waarin het niet vanzelfsprekend is te geloven, zoals je deed en je je afvraagt: is God er nog wel? Houdt hij me vast, hoe hou ik hem vast? De momenten waarop God het meest verborgen lijkt, het meest schuil lijkt te gaan achter je leven en alles wat daarin gebeurt, daarachter is Hij toch ondanks alles aanwezig is, zo vertelt het verhaal van Daniel, als bemoediging voor al die keren dat het volk Israël in ballingschap was, als ook voor ons vandaag als bemoediging. Het verhaal geeft kleine richtingwijzers waarin we die aanwezigheid van God dan mogen ontdekken.

Richtingwijzers

In de hofmeester Aspenaz ontmoeten Daniel en zijn vrienden iemand die met hen meedenkt, hij wil hen niet meteen dwingen het eten van de koning te nemen, maar hoort hun verhaal, hij is iemand die hen de ruimte wil geven om zich te houden aan hun spijswetten, iemand die iets durft te riskeren voor hen. Er staat even daarvoor: God nu zorgde ervoor dat Aspenaz Daniel gunstig gezind was. Oftewel, in die situatie van vervreemding en eenzaamheid en ver van huis zijn, ontmoeten Daniel en zijn vrienden een vriendelijk mens. Iemand die heel anders is dan zij, ongetwijfeld anders in het leven staat, niets van hun geloof deelt, maar toch…zo zegt het verhaal…in zo’n mens komt God je tegemoet. Niet alleen in degene die zegt te geloven, of je van alles over God weet te vertellen, maar ook in degene die je in vriendelijkheid tegemoet komt, die naar je wil luisteren, die ruimte geeft voor wat jou voedt in diegene is God nabij, zelfs soms zonder dat je het merkt. Het lijkt misschien een open deur, maar in ieder mens kan God ons nabij komen, zelfs in degene van wie we het het minst verwachten. Ik denk dat we vaak geneigd zijn dat te vergeten.    

Het andere wat verteld wordt is dat God Daniel en zijn vrienden helpt in het werk dat ze doen, in de opleiding die ze volgen. Ook daarin is God verborgen aanwezig. Daniel sluit zich niet af voor de wereld om zich heen, ook niet voor Babel, maar doet er volop in mee, hij wordt er zelfs goed in en God is daarin aanwezig, zegt het verhaal. Met andere woorden, je bent niet alleen met God en geloven bezig op het moment dat je de Bijbel leest, iets met de kerk doet, of één van deze dingen ter sprake brengt, net zo goed is God aanwezig in wanneer je dat wat je doet zo oprecht en integer mogelijk probeert te doen, wanneer je je geeft aan de wereld om je heen waarin misschien niets van God te merken lijkt, maar wat wel de wereld waarin jij je plek hebt met alles wat je doet, opleiding, werk, een taak, vrijwilligerswerk, het gebeurt allemaal in de wereld, de werkelijkheid van God, daarin krijgt het zijn plek en zo is het goed.
We hebben soms het idee dat als het om God of geloven gaat, het alleen om de grootse, bijzondere dingen gaat, maar dit verhaal vertelt ons: ook in het alledaagse, in wat je doet ben je met God en zijn wereld bezig.

En als laatste kom ik weer terug bij dat eten…of het niet eten. Het mooie hiervan vind ik dat je ook in iets kleins het lijntje met God kunt bewaren. De joodse traditie zegt: in het doen van één enkel gebod bewaar je het hele verbond met de Eeuwige. Het is misschien vaak voor onszelf zo klein, zo onbeduidend, maar voor God is het genoeg. In tijden dat geloven je zwaar valt, dat je niet weet of God er is, en nog aan je denkt, of je je afvraagt of je nog wel goed bezig bent, zoek iets kleins, iets alledaags, waarvan jij zegt: dit is mijn lijntje met God, dit herinnert me eraan dat ik kind van God ben én blijf. Steek een kaarsje aan, zing een lied, zeg een regel van een gebed, geniet van de zon, of een bloem of vouw voor even je handen, dát is jouw lijntje met God én het is genoeg en vertrouw daar maar op.
In een vriendelijk mens, in wat je doet en in het kleine ritueel, in dat alles ontmoeten we God, waar we ook maar zijn.

Amen