Logo van de kerk

overweging in 2020 op 16 augustus

Overweging 16 augustus 2020

Geliefde mensen van God,
gemeente van Christus,

De Kananese vrouw, de moeder, de buitenlandse uit ons verhaal vanmorgen verovert bij het lezen van deze ontmoeting onmiddellijk mijn hart. Ze durft uit haar comfortzone te stappen, laat zich niet gauw ontmoedigen, is krachtig in haar al kwetsbaarheid en ergens bespeur ik in haar woorden, ook al gaat het om leven op dood, ook nog wel een zekere humor, een speelsheid als ze begint over de kruimels en de hondjes. Kortom, een vrouw om van te houden, om je aan op te trekken.

Met Jezus daarentegen heb ik het in deze ontmoeting een stuk moeilijker. Zo royaal, zo ruimhartig en open als hij anders de eenling, de vreemdeling, de kwetsbare tegemoet treedt, zo afstandelijk, zo gesloten en hard komt hij hier over en dat is behoorlijk verwarrend, het botst, zo vermoed ik ook bij u, bij jou, met ons beeld van Jezus, het botst met de weg van het evangelie, zoals we die vaak schetsen.
Pas in het laatste vers, als Jezus zegt: O vrouw, groot is je geloof! Of, nog beter gezegd, groot is je vertrouwen, pas dan breekt er iets open, de harde schaal om Jezus heen, de gesloten situatie die op verlies en dood alleen leek af te koersen. Maar wat heeft ze daar hard voor moeten werken, deze vrouw.

Het is alsof je als lezer op het puntje van je stoel wordt gezet bij deze ontmoeting en je moet verbijten om Jezus toe te roepen, doe iets, zeg dan toch iets, zie haar nu toch staan …in hemelsnaam…in Gods naam…Het is precies in dit schurende, dit ongemakkelijke waar vandaag, zo vermoed ik, de betekenis van dit verhaal achter schuil gaat.
Het begint ermee dat Jezus uitwijkt naar Tyrus en Sidon, het huidige Libanon, dat momenteel zo vaak in het nieuws is. Dat uitwijken doet Jezus wel vaker in het evangelie, al wanneer hij als klein kind gevaar loopt, of wanneer het hem teveel wordt en hij de stilte en eenzaamheid opzoekt. Maar deze keer wijkt hij uit over de grens van Israel heen, hij is in het buitenland. Dat is belangrijk om te beseffen, we noemen de moeder wel de buitenlandse in dit verhaal, de Syro-fenicische, de Kananese, dat is onze blikrichting, maar in feite is Jezus hier de vreemdeling, hij is te gast, de eenling in andere omgeving, de kwetsbare. Had hij verwacht daar met rust gelaten te worden? Dat hij daar niet gekend zou worden? Zit daarin afwerende houding? Of eindigt zijn roeping werkelijk bij de grens?

Hoe dan ook, de vrouw stapt op hem af en roept hem om hulp, ze schreeuwt het uit: Heer, Zoon van David, ontferm u over mij. Een collega vertelde ooit eens hoe zij tijdens bibliodrama woorden van gelijke strekking moest uitroepen toen zij in de huid van de blinde Bartimeus was gekropen en ze zei: ik kreeg het gewoonweg niet over mijn lippen, het lukte me niet. Haar begeleider had gezegd: het moet, je moet het zeggen want anders stopt alles hier, dan staat alles stil en uiteindelijk had ze de woorden met een piepstemmetje uitgesproken, het deed haar aan den lijve beseffen hoe moeilijk het is, wat een drempel je over moet om werkelijk om ontferming te roepen, om alles, om jezelf werkelijk over te geven aan die ander. Om “help me” te zeggen…wanneer doe je dat? Wanneer ben je zo ver?

 En dan ook nog tegen een vreemdeling, iemand buiten je vertrouwde kring, buiten de normen van wat gehoord is, wat netjes is… zo roept deze moeder, zo schreeuwt ze het uit, want steeds heeft ze het beeld van haar dochter voor ogen, die overgeleverd is aan een kwade geest. Dat is nu net wat Jezus niet ziet, wat die leerlingen niet zien, dat meisje thuis dat deze moeder zo lief heeft en waar ze alles voor wil doen, ja zelfs door het stof wil gaan. Nee, Jezus en zijn leerlingen, zij zien alleen haar, daar op dat moment, de buitenkant, haar gedrag, dat ze zelfs als hinderlijk beschouwen, maak u toch los van haar ze schreeuwt ons achterna.

Het geeft te denken, altijd heeft een mens een verhaal, een binnenkant, een kruis, een verborgen verdriet… de vreemdeling tegenover je in de bus, de kassière in de supermarkt, ja zelfs, degene met wie je al jaren in de straat woont, we zien altijd zoveel meer niet van elkaar dan wel, terwijl zo vaak datgene wat we wél zien ons leidt en stuurt en vormt in onze gedachten, oordelen en handelingen. Vreemd eigenlijk.
Zo werkt het in elk geval ook bij Jezus en zijn leerlingen. Eerst is er het halsstarrig zwijgen, vervolgens een poging om zich te ontdoen van de vrouw, ook door te zeggen dat Jezus er niet voor haar is, en tot slot een rechtstreekse afwijzing door te zeggen dat het brood voor de kinderen er niet voor de honden is.
Niet fraai, vertaalt de Naardense Bijbel, met een flink cynisch understatement, niet fraai is het het brood van de kinderen aan de honden te geven. Maar het is alsof de vrouw net zo’n dikke huid heeft als Jezus’ zelf, het lijkt haar niet raken en ze volgt haar eigen spoor, ze bewijst Jezus hulde, smeekt opnieuw en gaat zonder gekrenkte trots mee in het beeld van het brood, de honden en komt ad rem met de kruimels op de proppen.

Groot is je geloof, je vertrouwen, zegt Jezus uiteindelijk, wat je doet afvragen: is dat dan het geloof dat van ons gevraagd wordt, hoe de verhoudingen liggen tussen God en de mens, dat je moet smeken, op je knieën gaan, door het stof, om ontferming roepen, jezelf opzij zetten in de hoop dat je uiteindelijk gehoor vindt bij een God die ver weg blijft? Is dat het uithoudingsvermogen dat van ons gevraagd wordt? Het volhouden dat er bij hoort? Ook als God verborgen lijkt te blijven, als het angstvallig stil lijkt te blijven, als je geen woord van Hem krijgt, alsof het Hem op geen enkele manier lijkt te raken wat er met zijn mensen gebeurt?
Dat is in elk geval zeker een kant die we in ons geloven kennen, de twijfel of het zin heeft, of al ons bidden, smeken, ons zuchten gehoord wordt, hoe ver moet je gaan, hoe lang moet je volhouden? Waarom zou ik er nog mee doorgaan? Geloven is zo vaak een kwestie van lange adem en deze stem, deze kant ervan is al vanaf het vroegste begin in alle bijbelverhalen serieus genomen, de psalmen staan vol met verzuchtingen als: hoe lang nog, God? Waar blijft U? Waarom laat U zich niet zien? Waarom geeft u degenen die de spot met U drijven zo gelijk?

De moeder, ze ontmoedigt en bemoedigt me tegelijkertijd. Het doet me afvragen en twijfelen of ik bij lange na wel iets van haar uithoudingsvermogen heb als het op geloven aankomt, en tegelijkertijd troost ze me, dat die veerkracht blijkbaar wel diep in ons verscholen leeft.
Maar er is nog iets over te zeggen, wat haar geloof, wat haar vertrouwen zo groot maakt, in de woorden van Jezus, en dat is haar weigering. Haar weigering de situatie te accepteren waarin haar dochter verkeert, haar weigering om Jezus daar zó aan voorbij te laten lopen, haar weigering dat zij zomaar kan worden afgeschreven, opzij geschoven, vanwege haar identiteit, afkomst of haar vrouw-zijn. Het vertrouwen zit ‘m óók in haar hartgrondige nee tegen dit alles, omdat ze weet heeft van Gods ja, van Jezus’ ja tegen alles wat goed, rechtvaardig en waardevol is in dit leven. Aan een kruimeltje heeft ze genoeg om dit vertrouwen van haar te voeden, ook al weet ze maar al te goed dat het haar honger niet helemaal zal stillen. Maar toch, het zijn die kruimels van een andere werkelijkheid, van een ongedacht verlangen, en een koppige hoop die genoeg zijn om haar te voeden.
Haar geloof is groot juist in het kleine en het is alsof ze precies met dat geloof Jezus wakker schudt. Alsof hij ineens in de spiegel kijkt en in haar dwaze koppigheid zichzelf herkent. Ook hij moet het op zijn weg met de kruimels doen, zijn leerlingen die hem maar half begrijpen, de mensen die hem maar al te vaak zoeken om de verkeerde redenen, God de Vader die soms zo ver weg blijft, maar dan toch…soms…een glimp… die hem weer sterkt in zijn geloof, zijn vertrouwen.

Het is dit gedeelde lot van Jezus en de moeder, deze gelijkwaardigheid, dit vertrouwen ondanks alles dat hen bij elkaar brengt. De vrouw, de moeder, ze herinnert Jezus aan wie hij zelf ten diepste is. Niet Hij keert haar om, maar zij hem en zo staat zij in een lange rij van mensen die haar voorgingen en hetzelfde deden: Jakob die bij de Jabbok zegt; Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent. Of Mozes en Abraham die onderhandelden met God om zijn mensen niet op te geven. Of Job die God maar bleef bestoken met zijn vragen en weigerde te berusten in al te snelle antwoorden.
Niet alleen God helpt ons om het vol te houden in deze weerbarstige werkelijkheid, ook wij moeten God helpen het vol te houden met ons en onze wereld, Hem blijven aanspreken op, herinneren aan zijn droom, zijn hoop, zijn geloof in mensen. Ook God moet het al te vaak doen met de kruimels in onze wereld.

Alleen zo houden we onze hoop op Hem én al het goede levend, voor onszelf, voor elkaar en ten diepste ook voor God zelf. Dat het genoeg mag zijn om ons te voeden!

Amen