Logo van de kerk

overweging in 2020 op 15 november

Overweging 15 november 2020

Lezing Ezechiël 34

Geliefde mensen van God, Gemeente van Christus,

In Exloo wordt er sinds een aantal maanden eentje gezocht. Een nieuwe herder voor de schaapskudde aldaar. Een maand of wat geleden was te lezen bij RTV Drenthe dat de zoektocht naar een nieuwe herder nog niet echt wilde vlotten. Er hadden zich wel acht kandidaten gemeld maar het grootste probleem is dat het werk onderschat wordt, aldus de voorzitter. Sommige mensen hadden nog nooit een schaap onder handen gehad. Notabene één van de herders vertrok na een half jaar met een burn out.

Blijkbaar roept het beroep herder en het beeld dat mensen er van hebben toch iets liefelijks op, iets van romantiek en nostalgie. Dat is bij de geloofstaal en godsbeelden die een herder oproept eigenlijk niet anders. Het is voor veel mensen een dierbaar beeld, God als herder, of Jezus als de goede herder, de herder die zijn kudde kent, het schaap dat blindelings op de herder kan vertrouwen, het is taal die gaat over rust, vertrouwen, geleid worden en niet alleen zijn. Hoe dun het lijntje soms ook is naar geloven, bijbel en kerk, voor veel mensen is psalm 23 als ultieme herderspsalm nog altijd vertrouwd en betekenisvol.

Ontnuchterend

Daarom is het wellicht ook ontnuchterend om de woorden van Ezechiël te lezen, en de wijze waarop de profeet omgaat met het beeld van de herder. Al het lieflijke is in zijn taal verdwenen, de herder is niet per definitie goed, niet altijd te vertrouwen, ja zelfs de schapen raken hun onschuld kwijt in dit gedeelte en God als herder is in dit gedeelte een geërgerde, tot woede gedreven herder die vanwege de slechte zorg van de herders die hij heeft aangesteld hun het werk uit handen neemt, ja zijn schapen uit hun mond redt omdat de herders alleen zichzelf weiden. God is ook de herder die kritisch de kudde doorkijkt, ook daar orde op zaken stelt, en recht spreekt, en onderscheid maakt. We raken zo al ver verwijderd van het liefelijke en rustige van psalm 23. Zeker als je dat ene vers leest, waar ik deze week bij bleef haken, vers 16 waar staat: Ik zal naar verdwaalde dieren op zoek gaan, verjaagde dieren terughalen, gewonde dieren verbinden, zieke dieren gezond maken – dit doet heel erg denken aan Jezus als de goede herder – maar dan: de vette en sterke dieren zal ik doden. Bam!

“Verdelgen ” werd er elders vertaald. Wat is dit voor herder? Eerlijk schrik ik daar wat van terug, van dit soort teksten waar God zo wordt verbeeld en waar woorden als verdelgen en doden aan God worden gelinkt. En wat het nog vreemder maakt is dat op andere plekken vertaald wordt dat God over de vette en sterke dieren zal waken, in plaats van doden of verdelgen. Zo zegt de Naardense: Ik zal de kudden weiden volgens recht en regel.
Dat klinkt als een strenge maar niet onmogelijke herder, iemand die zijn kudde in de hand houdt, een beetje het beeld van hoe de sterke geit bij mijn vader thuis altijd even vast wordt gezet bij het voeren zodat hij de wat zwakkere niet volledig verdrukt. Of zoals de Bijbel in gewone taal het aanvliegt: eerst dat stuk over de verdwaalde, zieke weggejaagde etcetera schapen en dan En ik zal goed letten op de vette en sterke dieren.
Kijk, dat klinkt toch een stuk sympathieker. Een beetje zoals de dominee die vaak gezocht wordt in vacatures waarvan gevraagd wordt dat hij of zij goed op kan schieten met de jongeren én daarbij de ouderen niet het oog verliest. Het spreekwoordelijk schaap met de vijf poten.

Doden of waken?

Dus, hoe zit het nu, wat is het nu? Het doden, verdelgen, of toch het waken, het goed letten op? Het maakt nogal een verschil voor het Godsbeeld dat hier uit deze tekst naar voren komt. Nu is het voor een overweging niet zo interessant om al te veel in te gaan op de details van de Hebreeuwse grondtaal, maar laten we maar zeggen dat er vanaf het begin al onduidelijkheid over is geweest welke kant het op moest met dit vers, dat het allebei kan om verschillende redenen. Je zult dus zelf moeten kiezen, mailde een collega deze week toen we er even over sparden.
En dan kom je dus onherroepelijk uit bij je eigen godsbeeld, hoe je God ziet, hoe je God wil zien en of daar ruimte is voor andere beelden dan datgene wat je het meest nabij is.
Misschien kun je zeggen dat het volk Israël in ballingschap, in crisis daar ook opnieuw aan het ontdekken is wie hun God is. Ver weg van huis, ver weg van vertrouwde kaders, met de traumatische ervaring van weggevoerd worden uit eigen land, moeten ze opnieuw ontdekken wie God is, op welke manier hij in hun midden is.
Zoals in de afgelopen maanden ook herhaaldelijk in deze crisis de vraag werd gesteld waar God is, of welke rol hij heeft in deze tijden, wat uiteindelijk toch vooral een vraag is naar wie God is, welk beeld je had en hoe dat wel of niet verandert, veranderd is in deze tijd en wat deze tijd gebracht heeft.

In de hoofdstukken vooraf aan dit hoofdstuk worstelt het volk met het gegeven van de ballingschap en blikt het terug, op wat verkeerd ging, hoe ze met dit gegeven om kunnen gaan en het een plek kunnen geven in hun verhaal met God, vanaf hoofdstuk 33 verandert de toon en wordt er langzaamaan opgebouwd naar de toekomst, komt de belofte van terugkeer en herstel vaker aan de orde. Maar de toon blijft even fel, het zal erover moeten gaan hoe nu de toekomst, leven in het beloofde land opnieuw opgebouwd kan worden, wat daarin toekomst heeft en wat niet, wat daar een plek mag krijgen en wat niet.

Partijdig

En daar komt de herder, God zelf, dan om de hoek kijken, op dit kantelpunt, deze wending naar de toekomst, deze herder die als het ware twee gezichten laat zien, die onvermoeibaar is als het gaat om de zorg voor wie verdwaald is, wie vastloopt, wie wonden oploopt in het leven, maar levensgevaarlijk voor wie alleen zichzelf weidt, wie zich ten koste van de ander dik maakt, de ander verdrukt, de kwetsbare aan de kant schuift.
Deze herder, God zelf, is partijdig, hij kiest partij, hij kiest voor wie weinig te kiezen heeft in het leven. Hij is niet zomaar een herder voor iedereen maar kiest in eerste instantie voor wie om welke reden dan ook buiten de kudde dreigt te vallen, die haalt hij terug, verzorgt hij, brengt hij naar grazige weiden en wateren der rust. Hij kiest voor wie het niet veilig is, voor wie niet gekend mag worden om wie hij of zij ten diepste is, voor wie altijd net te laat is, voor hen kiest hij. Deze herder, die alleen maar zo het nieuwe leven op wil bouwen, met hem die bij hem willen horen,

Eerst staat de spotlight nog op de slechte herders, degenen die macht in handen hebben en leiding geven op een manier dat de kwetsbare het onderspit delft, en nog steeds zijn daarvan voorbeelden te over, maar het sterke en indringende van de tekst is dat deze je steeds dichter op de huid komt, want van de leiders gaat het naar de kudde en hoe deze onderling met elkaar omgaat, of niet de één de ander verdrukt. Niet alleen omhoog kijken, maar ook naar jezelf en degene naast je.
De sterke en vette dieren zal ik doden, verdelgen, sterke woorden, heftige woorden maar het is de andere, onlosmakelijk verbonden kant van de medaille van de passie van deze herder, die geen toekomst ziet als de zorg voor wie kwetsbaar is niet gewaarborgd wordt.
Wat zal ik er verder nog aan toevoegen, dan dat dit de richting is die ons telkens weer gewezen wordt, het appèl dat op ons gedaan wordt, het herder zijn dat van ons gevraagd wordt, of op zijn minst zó schaap zijn.

We vieren vandaag de maaltijd van Hem die net zo radicaal herder was, maar die ook met zijn eigen leven voordeed hoe de macht van het kwaad, de sterkste, de dood niet het laatste woord hebben, zelfs niet als je zo kwetsbaar bent als een lam.

L400, als afsluiting

Voordat ik kan ontvangen brood en wijn
En delen in de maaltijd van de Heer
Erken ik wat er donker is in mij
En leg dat neer.

In deze kring ziet Christus zelf mij aan.
Ik vraag en schenk vergeving ieder hier,
Dat alles wat zijn vrede tegenwerkt
Wordt neergelegd.

Heer Jezus, deelgenoot aan deze dis,
Ik maak mij leeg en strek mijn handen uit
Naar U, naar alles wat U geven wilt.
In brood en wijn.

Amen