Logo van de kerk

overweging in 2019 op15 december

Inleidende woorden op Micha

We lezen de profeet Micha in deze dagen op weg naar Kerst, en plattelandsjongen die naar de stad Jeruzalem trekt en daar de leiders, de grootgrondbezitters en de rijken namens God aanklaagt op het onrecht dat ze veroorzaken. Vorige week reikte Micha al even vooruit naar een toekomst waarin zwaarden tot ploegscharen worden omgesmeed en waarin een ieder rustig onder zijn vijgenboom zal zitten, maar vandaag belanden we weer keihard in de weerbarstige realiteit en gaat de aanklacht verder, ja meer nog, het wordt persoonlijker. Het is niet de profeet alleen die de mensen, het volk Israel aanklaagt, deze keer komt God zelf aan het woord. Micha presenteert het als een rechtzaak tussen God en zijn volk, God is de aanklager, het volk is de beklaagde, de bergen, de heuvels, de aarde met haar onwrikbare fundamenten zijn de jury. En de rechter, dat bent u, dat zijn wij als lezer, als hoorder van dit geschil.Wie stelt u in het gelijk, wie heeft recht van spreken?

Schriftlezing: Micha 6: 1 – 8

Profeet:
Hoor toch wat de Heer zegt!
Sta op, laat de bergen uw rechtsgeding horen,
Laat de heuvels getuige zijn.
Luister, bergen, naar het pleidooi van de Heer,
Hoor toe, onwrikbare fundamenten van de aarde,
De Heer heeft een geschil met zijn volk,
Hij klaagt Israël aan:

God:
Mijn volk, wat heb ik je misdaan?
Waarmee heb ik je gekweld? Antwoord mij.
Ik heb je weggeleid,
bevrijd uit de slavernij in Egypte.
Ik zond Mozes, Aäron en Mirjam
om jullie voor te gaan.
Ben je dan vergeten, mijn volk,
Wat Balak besloot, de koning van Moab,
Wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde?
Ben je vergeten wat er gebeurde tussen Sittim en Gilgal?
Ken je de gerechtigheid van de Heer niet meer?

Vrouwe Israël:
Wat kan ik de Heer aanbieden,
waarmee hulde brengen aan de verheven God?
Moet ik hem tegemoet treden met brandoffers,
Zou hij eenjarige stieren aanvaarden?
Kan ik hem gunstig stemmen met duizenden rammen,
Met olie, stromend in tienduizend beken?
Moet ik mijn oudste kind geven voor wat ik heb misdaan?
De vrucht van mijn schoot voor mijn zondig leven?

Profeet:
Er is jou, mens, gezegd, wat goed is,
Je weet wat de Heer van je wil:
Niets anders dan recht doen, trouw te betrachten
en nederig de weg te gaan van je God.

Overweging

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Toen ik een jaar of 15 was werd mijn fiets gestolen. Op een vrijdagmiddag na school. Ik ontdekte dat ik ‘m niet op slot had gedaan, de grond zakt dan even onder je voeten weg. En dan moet je je ouders bellen of ze je willen komen ophalen. Mijn moeder was boos, uiteraard en dat hield ze dan ook niet voor zich en hoe vreselijk ook, dat kon ik aan. Veel erger vond ik de reactie van mijn vader, die inmiddels het nieuws had gehoord en zwijgend langs me liep en alleen maar met barse stem zei: Zo, Betty, zo kom je er niet in deze wereld.
Ja, dan zak je even door de grond en wil je wel alles doen om het weer goed te maken, alles om de misstap die je beging te herstellen.
Ondertussen kunnen we er samen hartelijk om lachen, mijn vader en ik, en wat hielp was dat we fiets notabene ook nog terugvonden op het station. Maar het gaat me even om dat moment, je begaat een misstap, stommiteit, je weet het en juist tegenover degene van wie je houdt, die van jou houdt wil je alles wel doen om het goed te maken, om je fout uit te wissen en te herstellen,

Wat is er toch met die twee?

Ik moest eraan denken vanmorgen bij die dynamiek van vanmorgen tussen God en zijn volk.Toen we het afgelopen dinsdag in de voorbereiding lazen moesten verschillende van ons ook denken aan hoe bijvoorbeeld een leraar, een ouder of iemand anders kan zeggen:nou, heb ik zo mijn best voor je gedaan en nou doe je dit.
Als het om die aanklacht van God gaat, of bij die laatste woorden in vers 8, er is jou gezegd mens wat goed is, hoe iemand als meester vroeger wel eens tegen de kinderen zei:je weet best wat ik bedoel. Je zou eigenlijk graag willen horen hoe het volk daar dan weer op reageert, op die kernachtige woorden van vers 8.

Kortom, wat er gebeurt er toch tussen God en zijn volk? En… komt het nog wel goed tussen hen?Want dat er iets aan de hand is, dat is wel duidelijk,ze zijn als het ware in een heftig gesprek verwikkeld geraakt, waar we een stukje van mogen meeluisteren, en waar we zo onze gedachten over mogen laten gaan. Ja, de profeet vraagt ons zelfs om er over te oordelen,zeg het maar, wie staat er in zijn recht, het volk of God?
Misschien is het ook wel uit woede dat Micha het als een rechtszaak naar voren brengt, hij wil dat het volk met al zijn heilloze praktijken aangeklaagd wordt, berecht wordt, ja dat er met ze afgerekend wordt misschien zelfs wel,   maar de toon verandert 180 graden als God dan aan het woord komt.
Mijn volk, wat heb ik je misdaan?
Waarmee heb ik je gekweld? Antwoord mij.

Dat is niet de taal van een rechtszaal, de taal van beschuldiging en aanklacht. Nee, eerder is het de taal van een gekwelde, hevig teleurgestelde geliefde die zijn pijn en verdriet niet langer voor zich kan houdenen tegenover zijn geliefde leegloopt.
Weet u waar ik aan moest denken? Aan de Margriet, het vrouwenblad waarin altijd zo’n rubriek staat, getiteld Relatie, waarin dan beide partners hun kant van het verhaal doen met als centrale vraag: Komt het nog goed tussen die twee? En je voelt in het lezen van de verhalen hoe daaronder pijn en verdriet schuil gaat, hoe die twee bij elkaar langs praten, elkaar niet zien, erkennen, elkaar niet bereiken. Maar je weet tegelijkertijd ook van jezelf dat als je daar midden inzit, hoe je dat soms niet kunt zien bij jezelf, bij de ander.
God en vrouwe Israel, ze zijn verwikkeld in zo’n soort gesprek en je ziet het gebeuren hoe ze bij elkaar langs praten.

Rechtszaal of relatietherapie?

God neemt het woord met een soort van radeloosheid, wanhoop, Wat heb ik je misdaan, waarmee heb ik je gekweld, ligt het aan mij, mijn volk, dat je zo ver bent afgedwaald, ik herken je niet meer zoals je nu doet.
En God roept in herinnering de geschiedenis van de uittocht, de woestijntocht en de intocht in het beloofde land, als het ware om te zeggen: zoveel hebben we met elkaar meegemaakt, zoveel met elkaar doorstaan, zo gezocht naar ruimte om te leven op een manier die goed en recht is, het was ons beider verlangen. En nu, nu dreig ik je kwijt te raken, ik dreig je te verliezen, mijn partner, mijn maatje onderweg, ik raak haar kwijt. Dat is de hartekreet van God, de taal van een gekwelde geliefde.
Het is niet eenvoudig om zo’n hartekreet onder ogen te komen, om het daarmee uit te houden, om werkelijk stil te staan bij de pijn van de ander of jezelf, eerder ben je geneigd in de verdediging te schieten, de bal terug te kaatsen of het op te lossen, weg te nemen, je wilt ervan af.

Mijn volk, wat heb ik je misdaan? Waarmee heb ik je gekweld? Antwoord mij.

Dat is niet alleen een hartekreet van God toen daar tegen het volk Israel ooit. Je kunt zeggen dat die hartekreet overal te horen is in de wereld om ons heen, in onszelf waar we soms zover zijn afgedwaald waar het God ooit om begonnen is met ons mensen, je kunt die stem horen op het moment dat er een koelcontainer met doodgevroren vluchtelingen wordt geopend, op de plekken waar men het zoveelste jaar van bloedige strijd ingaat, op het moment dat we horen van Unicef, dat er 50 miljoen kinderen op de vlucht zijn wereldwijd. Maar ook in het klein, al in het verhaal van één kind dat geen kind kan zijn, op al die plekken waar we elkaar het leven zo moeilijk maken, waar zoveel destructieve krachten aan het werk zijn, die we maar niet kunnen stoppen, daar klinkt die hartekreet van God, in de taal van de liefde.

Mijn mens, wat heb ik je misdaan, waarmee heb ik je gekweld, ik raak je zo kwijt.

Het is de taal van iemand die jou hartstochtelijk liefheeft en tegelijkertijd ziet hoe je voor zijn ogen verandert, in iemand die hij niet meer herkent.
En jij jezelf misschien ook niet meer.

Bij elkaar langs praten

En hoe reageert het volk? Je ziet meteen hoe ze bij elkaar langs praten, God en zijn mensen, en ook wij kunnen die mensen zijn. In plaats van stil te staan bij pijn en schuld, wordt er onmiddellijk overgeschakeld op: wat moet ik doen, wat wil je van me? Wat kan ik je bieden? Eenjarige stieren, duizend rammen, tienduizend beken olie, ja moet ik je dan mijn eerstgeborene geven voor mijn zondig leven? Het gaat van gek naar gekker tot bizarre offers. Alsof God dat vraagt.

Ook hier helpt het beeld van getroubleerde geliefden ons. Alsof het volk zegt: Wat wil je nou van me? Wat verwacht je nou van me? Ze reageert in het overtrokkene, in het extreme zoals je zelf soms ook kunt reageren in een ruzie met een geliefde, terwijl je wel diep in je hart wel weet dat het daar niet om gaat.

Is het omdat God de vinger op de zere plek legt? Is het omdat het volk doof is geworden voor de hartekreet van God, en dat ze zo snel mogelijk van hem af wil? Hem zoet wil houden met offers. Op de automatische piloot gaat in de relatie? Wel de uiterlijkheden nog van geloof en godsdienst, maar niet meer gevuld met betekenis en toewijding? Het zou allemaal kunnen, en het gebeurt ook allemaal, ook met ons, in onze relatie met elkaar, in onze relatie met God.

Maar we krijgen eigenlijk de kans niet om het uit te horen. De profeet kan zich niet langer inhouden en komt geïrriteerd tussen beide; Kom op, je weet het best, mens er is jou allang gezegd wat goed is, wat de Heer van je wil, niets anders dan recht te doen, trouw te zijn en nederig de weg te gaan van je God.
Daarmee stokt het gesprek, de twee geliefden vallen stil, maar je weet, ze zijn er nog lang niet met z’n twee, ze zijn nog lang niet uitgepraat, ze zijn nog lang niet op hetzelfde spoor, ze spreken nog lang niet dezelfde taal. Komt het nog goed tussen die twee?

God en de mensheid, God en de mens, jij en God als twee getroubleerde geliefden, die elkaar aantrekken, opzoeken en tegelijkertijd soms elkaar helemaal niet begrijpen,  langs elkaar heen praten, elkaar niet werkelijk zien, erkennen. Het is een spannend beeld dat Micha ons hier voorschotelt, God als de gepassioneerde die ons als geen ander kent en juist daarom ons ook confronteert met het donker in onszelf, juist omdat hij ons niet los wil laten, juist omdat Hij om ons bewogen is. En de mens die God zoekt, tot hem bidt, klaagt en roept, en tegelijkertijd soms van Hem af wil, zodat ze haar eigen goddelijke gang kan gaan, niet meer lastige vragen hoeft te beantwoorden, niet meer dat knagende geweten want zeg nou eerlijk, wat verwacht God wel niet van ons?

We bespraken dinsdag hoe prachtig die woorden uit vers 8 zijn, en tegelijkertijd hoe je daar tegenover één mens al je handen vol hebt. Probeer één ander maar werkelijk recht te doen, probeer maar eens werkelijk trouw te zijn, nederig, bescheiden je weg te gaan met God.

Komt het nog goed tussen die twee, tussen God en zijn volk? Komt het nog goed tussen ons, God en wij mensen. Het is een vraag die Micha uiterst serieus neemt en die ons scherpt in al te lievige, zoete beelden, van wie God is, en van wie wij zelf zijn.

Reset

We lezen deze woorden in de adventstijd waarin we uitkijken naar God onder ons, geboren in een weerloos kind, overgeleverd aan onze mensenhanden. Dat is niet zomaar een aardig gebaar van God, een mooi, romantisch idee dat reden is voor feestelijke gezelligheid. Nee, in de taal van Micha gesproken eerder is het resultaat van een wanhopige geliefde, die als een ultieme poging langs de weg van een weerloos kind opnieuw wil beginnen. Een soort van totale reset, Een druk op de uitknop en helemaal opnieuw opstarten om zo weer op hetzelfde spoor te komen. Om elkaar weer te verstaan, dezelfde taal te leren spreken.

Tegen een weerloos kind laat je alle maskers zakken en kun je niet anders dan de taal van de liefde spreken. Zo moet God denken, op hoop van zegen.
Aan ons  hoe we dit kind ontvangen. Zullen we onze roeping herinneren? Antwoorden op de taal van de geliefde?
Er is jou, mens, gezegd, wat goed is, Je weet wat de Heer van je wil…

Amen