Logo van de kerk

overweging in 2019 op 8 september

Overweging 8 september 2019

Lezing Mattheus 23: 23-33

Wie regelmatig de evangeliën leest, die zal niet zo zeer opkijken van deze scherpe toon van Jezus tegen de Schriftgeleerden en Farizeeërs, maar je kunt je wel afvragen: waarom gaat Jezus nu zo enorm tekeer tegen deze groep? Waarom valt hij hen zo hard aan? Waarom zit het hem zo hoog? Want wat er ook op hen is aan te merken, tegelijkertijd is het een groep mensen die enorm is toegewijd aan de dienst aan God, aan de Torah en aan de tempel, aan alles wat ook voor Jezus heilig is?
Het is toch een groep mensen die tegelijkertijd een heel eind mee kunnen komen met alles wat Jezus leert, verkondigt, wat hem drijft. Je kunt de spot drijven met hun gepriegel met tuinkruiden maar in elk geval maken ze ernst met de voorschriften uit de Torah, zoeken ze naar de nuance, en waar de grens ligt als je deze toepast in de weerbarstige praktijk van het leven en daar is toch niet zoveel mis mee?

Zoals gezegd spreekt Jezus deze woorden uit vlak voordat hij wordt overgeleverd, gevangengenomen, en gekruisigd, zou hij die laatste tijd niet beter kunnen besteden aan wat hem wel bezielt in plaats van kritiek uiten op wie het niet goed doet.
Deze wee-woorden, zoals ze heten, staan tegenover de zaligsprekingen die helemaal aan het begin van het evangelie worden uitgesproken, maar zou het niet beter zijn als het andersom was, met de zaligsprekingen eindigen in plaats van met die veeg uit de pan?

En toch is dit een van de laatste publieke optredens van Jezus, hier staat dus blijkbaar ook voor hem iets op het spel, nu hij op het punt staat zijn leerlingen, de mensen die hem hebben gevolgd, los te laten. En het is ook goed om te beseffen dat deze woorden, ook al zijn ze tegen de Farizeeërs en Schriftgeleerden gericht, eenmaal opgeschreven door de evangelist vooral gehoord werden door de mensen van de eerste gemeentes, over de schouders van de Farizeeërs heen zijn zij het vooral die deze woorden horen, en er ernst mee kunnen maken.
Alsof Jezus tegen hen, tegen die eerste gemeente zegt: hoe het ook verder gaat zonder mij, zorg in elk geval dat het niet deze kant opgaat, maak er niet dit van, van het goede nieuws dat ik verkondigd heb, laat het niet verworden tot…

Wat verwijt Jezus hen nu precies?

Want als het voor de eerste gemeente van belang was dit te horen, is het net zo goed voor ons bedoeld, gemeente zoveel eeuwen later.
Ze zijn op de stoel van Mozes gaan zitten, staat er aan het begin van dit hoofdstuk, kortom, ze hebben macht naar zichzelf toegetrokken die niet voor hen was, zij menen heer en meester te zijn over de wet.
Ze hebben hoofdzaak en bijzaak verward, zo vat ik maar even die woorden over de tuinkruiden tegenover recht, barmhartigheid en trouw samen, over de mug en de kameel, de verkeerde dingen zijn te belangrijk geworden, de belangrijke dingen, waar het ooit om begon, waar het om gaat, die zijn hierachter verdwenen.

Tot slot, dat hangt daarmee samen, Jezus verwijt hen schijnheiligheid, aan de buitenkant wel doen alsof je heel erg leeft volgens de wet maar aan de andere kant deze met de voeten treden, op welke manier dan ook.
Misschien moet je in elk geval zeggen, dat het een fine line is, een dunne grens tussen waar het in geloven om gaat, in het zoeken naar en leven vanuit en met God en waar het verwordt tot puur menselijk gedoe, zoals het tentoonspreiden van je macht, in een soort van doorgeslagen vroomheid hoofd en bijzaak verwarren en je eigen buitenkant oppoetsen, zelf het podium zoeken door middel van geloof.

Dicht bij het vuur zitten, bij de bron, is geen garantie dat je die grens niet overgaat, misschien moet je eerder zeggen dat juist wanneer je dicht bij het vuur zit zoals de Farizeeërs en de Schriftgeleerden, dat je er juist misschien eerder naast grijpt? Omdat je denkt het wel te begrijpen, het in de vingers te hebben, te snappen hoe het werkt…geloven, God, leven volgens Gods wil etcetera.
Augustinus zei al:
Als je denkt iets van God begrepen te hebben,
dan is dat wat je begrijpt in ieder geval niet God.

Tuinkruiden in plaats van trouw en recht

Het is gemakkelijk om van de Farizeeërs een karikatuur te maken, met hun gepriegel met tuinkruiden in plaats van hun bewogenheid met trouw, barmhartigheid en recht, maar is dat niet precies waar Jezus voor wil waarschuwen?
Hoe dat ons allemaal kan overkomen? We kunnen met enige verbazing of juist verontwaardiging terugkijken op hoe pakweg een 50 jaar geleden het in de kerk, in geloven soms ging over dingen waarvan we nu zeggen: dat is toch helemaal niet belangrijk, daar gaat het toch niet om, wel of niet een ijsje eten, wel of niet fietsen, schaatsen etc. heeft de slang wel of niet gesproken, hoe konden mensen zich daarin zo vastbijten dat ze het grotere plaatje kwijtraakten waar het in wezen om ging… trouw, recht, barmhartigheid.

Misschien is het juist als het gaat om God, om geloven, om aanraking met het vertrouwen dat van de andere kant komt, dat juist het ongrijpbare ervan, datgene is dat we zo slecht verdragen als mensen, hoe na de eerste begeestering, ervaring van geloof, het in vuur en vlam raken, hoe we diezelfde Geest uiteindelijk toch in de fles willen stoppen, willen beheersen, controleren, in de hand willen houden. En dan gebeurt van lieverlee het omgekeerde, niet dat God jou leidt, maar dat jij God leidt, stuurt, uittekent etc. Juist in je zoektocht, juist in je verlangen naar God, in je drive en passie het wonder van geloven, de verwondering, het vertrouwen, de overgave te vangen, tot je beschikking te hebben, in te kaderen met regels, lijstjes en voorschriften, kun je helemaal de plan misslaan en haal je het leven eruit, de Geest met een hoofdletter en worden kleine dingen ineens heel belangrijk en verdwijnt dat waar het om begonnen was uit beeld.

Trouw blijven aan waar het om begonnen is

Je kunt het misschien vergelijken met hoe mensen soms beginnen met een droom, een ideaal, een passie en hoe in de uitwerking daarvan er steeds meer vastomlijnde ideeën, regels en protocollen ontstaan en hoe daar helemaal niets mis mee is, maar hoe je ook telkens moet blijven vragen naar die droom, die passie, dat ideaal. Ook wij kunnen in de kerk elkaar niet vaak genoeg vragen waar het toch allemaal om begonnen is, waarvoor we kerk/gemeente zijn, voor wie om niet te verzanden in onze eigen kerkje spelen, om niet te eindigen in ons eigen koninkrijkje in plaats van het koninkrijk van God. Want dan kan het je overkomen dat jij als Schriftgeleerde en Farizeeër, jij die gepokt en gemazeld bent in de materie van rechts wordt ingehaald door de nederigen, zachtmoedigen, de armen van geest, de vredestichters, al die mensen die Jezus aanspreekt in zijn zaligsprekingen.
Zoals het je soms ook kan overkomen hoe iemand die helemaal van buiten komt soms scherper aanvoelt waar het om geloven en God gaat, dan jij doorgewinterde christen, die van de hoed en de rand weet. Alsof je je hebt blind gestaard op de details. Zo werkt het dus blijkbaar bij mensen, in de tijd van Jezus, en nu nog steeds, overal waar mensen in aanraking komen met de werkelijkheid van God, hoe moeilijk het is om daar met je vingers vanaf te blijven als mens, dat niet te willen vangen en vatten in regels, wetten en dogma’s, althans niet in absolute zin, niet alsof je daarmee hét begrepen hebt, er moet ruimte blijven, openheid, ontvankelijkheid wat er op jou toekomt van de andere kant, en dat je daar oog voor hebt en houdt.

Ik eindig met het lied, dat we zo zullen zingen als voorbereiding op het avondmaal, zoals ik ben, kom ik nabij, lied 377. Uit het hele lied spreekt een soort ontwapenende eerlijkheid en deemoed, om dat woord van vorige week nog maar eens te gebruiken, hebben we nodig om niet die grens over te gaan, met lege handen tegenover God staan om te ontvangen wat Hij jou geven wil.

Amen