Logo van de kerk

overweging in 2019 op 3 februari

Overweging op 3 februari 2019

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

We hadden het er maar moeilijk mee, afgelopen dinsdag, toen we met een groep mensen het verhaal van vandaag alvast bespraken. Het venijn zit in de staart, wordt wel eens gezegd en dat lijkt zeker op te gaan voor het bijbelboek Ester. Het had vorige week zo mooi kunnen eindigen, Haman ontmaskerd door de moedige Ester, de koning eindelijk bij zijn verstand gekomen en in de laatste beelden van de film, die erover gemaakt zou kunnen worden, zou je dan kunnen zien van hoe het Joodse volk hun koningin toejuichte, met achter haar glimlachend haar man en beelden van vrede en voorspoed in het Perzische rijk

Venijn in de staart…

Maar het loopt anders, grimmiger, weerbarstiger, en dat gaf veel vragen. Waarom kan die koning nou niet die wet herroepen? En waarom kunnen ze het niet vreedzaam oplossen? Waarom blijft het niet alleen bij zelfverdediging, maar gaat het ook over wreken in één van de verzen van dit hoofdstuk. Wie verder durft te lezen in het boek, zoals wij dinsdag even deden, zal nog ontdekken dat in hoofdstuk 9 de aantallen doden worden genoemd die vallen onder de haters van de Joden, van 100 tot zelfs aan duizendtallen toe. U begrijpt wel dat wanneer zulke teksten in handen vallen van wie er kwaad mee wil, dat deze teksten zich er heel gemakkelijk voor lenen. Je zou er zomaar een vrijbrief voor religieus geweld in kunnen lezen, of juist een reden om eens te meer af te rekenen met geloven en godsdienst, want “ dat leidt toch alleen maar tot ellende”. En ingewikkeld was het ook om te bemerken dat de Joden tot nu toe in het boek slachtoffers waren, herkenbaar ook in onze recente geschiedenis, maar ineens worden ze in dat laatste stukje daders, ook een gegeven waarmee je een hele verkeerde kant uit zou kunnen gaan en waarbij antisemitisme op de loer ligt.

Bij ons aan tafel leidde het vooral tot de verzuchting hoe ingewikkeld het is al die verhalen vol van geweld te lezen in de Bijbel, niet alleen hier maar ook op andere plekken en hoe je soms maar delen overslaat omdat het anders niet te harden is, je zou er je geloof nog bij verliezen. Het is goed om daar eerst iets in het algemeen over te zeggen, voordat we ons richten op onze tekst van vandaag.
Geweld in de Bijbel is een onderwerp op zich, daar zou veel meer over te zeggen zijn dan hier vanmorgen kan, maar het belangrijkste is wel dit: dat God, als hij tot ons spreekt door zijn Woord, dat Hij dat niet anders kan doen dan door mensen heen, God is aangewezen op mensenmonden, mensenhanden om zijn verhaal van liefde, vrede en recht door te geven. Hij kan niet anders dan met ons en door ons mensen heen werken, mensen met hun lichte maar ook donkere, gewelddadige kanten, hun eigen belangen, gelijkhebberigheid, en daarom is dus in de Bijbel niet alleen de stem van God hoorbaar, maar zijn er ook vele menselijke stemmen hoorbaar, mét al hun dwalingen. En dat hoor je ook doorklinken in de bijbelverhalen. Sam Janse, theoloog en gepromoveerd op geweldsteksten in de Bijbel, zegt daarover: “De vraag is bij dit soort teksten niet: hoe is het mogelijk dat God hier opdracht voor gaf? Maar: hoe is het mogelijk dat mensen dachten dat God hier opdracht voor gaf?”

Van slachtoffer naar dader?

Terug naar onze tekst: omdat de wet die Haman heeft uitgevaardigd in naam van de koning om alle Joden uit te roeien, te verdelgen en om te brengen, omdat die wet niet kan worden herroepen, moeten Ester en Mordechai een "tegenwet" bedenken, een alternatief om dit vreselijke niet te laten gebeuren en zij laten op hun beurt een wet uitgaan in naam van de koning die zegt dat alle Joden op de dag dat hun haters tegen hen op zullen trekken voor hun leven mogen instaan én… ik citeer: …om uit te roeien, te doden en te verdelgen elke macht van een volk of een gewest die hen, kleine kinderen en vrouwen zou benauwen.
Je hoort er dezelfde woorden in als in Hamans wet, maar nu omgekeerd. Wie de Joden aanvalt op die dag, die ene dag, die mag worden uitgeroeid, verdelgd en gedood. Zelfverdediging dus.

Dat kunnen we misschien tot op zekere hoogte nog meemaken. Moeilijker wordt het wanneer we in het hoofdstuk daarna horen hoe de Joden hun vijanden te lijf gaan en als daarbij ook nog aantallen genoemd worden. Hoe wisten de Joden nu wie hun vijanden waren? vroegen we ons af en er kwamen indringende verhalen van ervaringen uit de tweede wereld oorlog over hoe wie vijand en vriend was zo dwars door elkaar kon lopen, de zo vriendelijke overbuurman die ineens toch een NSB-speldje op zijn revers bleek te hebben, óf de behulpzame Duitse soldaat die zorgde voor lucifers in tijden van schaarste of die moeders zo goed hielp bij het tillen van een grote zware pan.

Wie is dan je vriend, wie is dan je vijand?

En dan wordt er ook nog verteld hoe mensen zich uit schrik voor de nieuwe wet van Mordechai uitgaven voor Jood. Ergens in het volgende hoofdstuk staat ook nog hoe ineens alle vorsten, stadhouders, landvoogden en welke invloedrijke mensen nog meer het plotseling opnamen voor de Joden.
Iemand zei uit eigen ervaring met de oorlog hoe ze had gemerkt hoe moeilijk het is om als mens niet mee te gaan met de makkelijkste weg, dat doe je als mens heel snel. Moeten we misschien van deze tekst zeggen dat het ons een spiegel voorhoudt, hoe makkelijk we switchen? Van slachtoffer naar dader? Hoe eenvoudig we uiteindelijk ook bij de ander doen wat ons is aangedaan aan onrecht? Ook daar kleven in onze recente geschiedenis na de oorlog weer allerlei voorbeelden aan. Hoe makkelijk de rollen worden omgedraaid.

Strijd uit een ver verleden

Toch is er nog een andere uitleg, die ons helpt om dit venijnige slot van Ester beter te begrijpen. Haman en Mordechai, die tegenover elkaar staan in dit verhaal hebben al eens eerder tegenover elkaar gestaan, dat wil zeggen, hun verre voorvaderen, namelijk koning Saul van wie Mordechai afstamt tegenover koning Agag, de Amelekitische koning van wie Haman afstamt. In het boek wordt Haman ook herhaaldelijke aangeduid als de Agagiet en dat is niet voor niks. Als de Joden die naam horen gaan alle signalen op rood, en dat heeft te maken met hun geschiedenis. Als het volk Israel namelijk onderweg is naar het beloofde land en te weinig eten heeft en verzwakt ronddwaalt in de woestijn, ziet het volk van Amalek zijn kans schoon en begint het gevecht bij de achterhoede, daar waar de zwaksten zich bevinden, de ouden van dage, de vrouwen en de kinderen. Kortom, ze vallen aan in de rug.
God is woedend om zo'n laffe actie, de brute macht die profiteert van de zwakste schakel, de kwetsbaarsten, om de overwinning te behalen en daarom geeft God de opdracht dat zodra zijn volk het beloofde land heeft bereikt, dat er niets maar dan ook niets meer mag zijn dat herinnert aan het volk van Amalek. In het land van God is geen ruimte voor wie op een lage manier profiteert van de zwakte van een ander.

Eeuwen na dit gebeuren in de woestijn, krijgt Saul, Israëls eerste koning de opdracht het volk Amalek met huid en haar uit te roeien. Hij doet dit….. maar….. gedeeltelijk. Alles wat weinig of geen waarde had, maakten ze af, staat er maar het beste van mens en dier laat Saul leven, inclusief zijn Amalekitische collega, koning Agag. En daarmee laat Saul zien geen haar beter te zijn dan het volk Amalek, alleen de kwetsbaarsten doodt hij, maar waar hij zelf beter van kan worden, dat houdt hij voor zichzelf. Voor de God van Israel, de God van de wees, de weduwe en de vreemdeling uiteindelijk dé reden om Saul als koning van zijn volk te verwerpen.

…WORDT ACTUEEL

En nu staan ze weer tegenover elkaar, Mordechai de Jood, afstammeling van zijn verre voorvader Saul, tegenover Haman, de nazaat van Agag, de Amelekitische koning. En Haman laat zich kennen als ééntje van zijn voorvader, want omdat zijn ego gekrenkt is door een Joodse man die niet buigt, bedenkt Haman het wrede plan een kwetsbaar volk in ballingschap te doden. Opnieuw lijkt de geschiedenis zich te herhalen, opnieuw wordt door brute macht de zwakste, de kwetsbaarste uit de weg geruimd. Tot Ester op het toneel verschijnt en het anders afloopt met Haman. Eind goed al goed?

Nog niet helemaal, heeft de verteller van dit verhaal gedacht Want wat gebeurt er met het gif dat Haman al verspreid heeft, de houding die typerend is voor hem en zijn volk, voor zijn voorvader Agag en nog weer ver daarvoor ooit in de woestijn. Namelijk, het profiteren van de zwakkeren, de kwetsbaarsten, het uitoefenen van je macht ten koste van deze groep. Haman is er misschien niet meer maar wat hij op gang heeft gebracht is nog altijd aanwezig in de harten van mensen, het sluimert daar, het woelt daar, het heeft zijn uitwerking al gehad, en het kan zo weer de kop opsteken, altijd is er wel weer een andere Haman die opstaat, iemand die een zondebok zoekt vanuit een gekrenkt ego, iemand die de kwetsbaarsten als eerste aanvalt.

En zo gezien kost het niet eens zoveel moeite om die houding van Haman, de Amelekiet, de mentaliteit die om hem en zijn volk heen hangt nog steeds om ons heen in onze maatschappij te herkennen, ja, zelfs als we heel eerlijk zijn, soms ook in onszelf te herkennen. Een echt mes in de rug steken doen we natuurlijk niet bij elkaar, maar is pestgedrag van wie er net even anders uit ziet, of de zwakste schakel in de groep uitsluiten om er zelf beter van te worden, of eigen belang eerst, ook al weet je dat er soms anderen zijn die het harder nodig hebben dan jij, is ook dat niet precies hetzelfde als wat die sfeer, die mentaliteit is, die houding die om Haman, Agag en de zijnen heen hangt?

Amalekitische mentaliteit: weg ermee!

Overal waar het gaat in de Bijbel over het volk Amalek en zijn afstammelingen, zoals de koning Agag of Haman, gaat het niet specifiek over één volk, maar over een houding, een mentaliteit die haaks staat op wat de God van Israel voor ogen staat. Amalekieten zoeken te profiteren van de zwakkeren en dat is een mentaliteit die de God van de Bijbel, van de wees, de weduwe en de vreemdeling woedend maakt, die werkt als een rode lap op een stier.
Weg ermee, geef deze mentaliteit geen kans, geen ruimte, niet om je heen, niet in jezelf, roei haar uit, breng haar om, smoor haar in de kiem.

Zo kunnen we dat radicale in dat laatste hoofdstuk van Ester begrijpen, het gaat niet om het doden van concrete mensen, niet om een massaslachting maar om het eens en voor altijd korte metten maken met die mentaliteit van Amalekieten, van Agag, van Haman, met die houding in onszelf, om ons heen. Mordechai maakt af wat zijn voorvader Saul maar halfslachtig doet, je kunt dat niet laten sluimeren, niet een beetje toestaan, niet een oogje dichtknijpen.

En dan begrijp je ook beter de vreugde, het licht en het gejubel bij het Joodse volk, want wat zou het heerlijk zijn, wat een visioen, een belofte, een wereld waarin die Amalekitische mentaliteit er niet meer is, waarin mensen niet meer ten koste van elkaar leven, maar waar wie kwetsbaar is beschermd wordt in plaats van in de rug aangevallen, waar de sterkeren eenvoudigweg draagkracht tonen, juist omdat ze weten dat de rollen soms ook zomaar omgekeerd kunnen zijn en dat jij zelf de kwetsbare bent.

Waar is God, zo vroegen we ons geregeld af in het lezen van het boek Ester, en misschien kunnen we zeggen, aan het einde van het hele verhaal: daar is God, waar mensen die Amalekitische mentaliteit, die houding in zichzelf durven aanpakken, of in de omgeving om hun heen, waar mensen zeggen: bij ons ben je mens en geen probleem. Waar mensen werkelijk durven leven in het spoor van de God van de wees, de weduwe en de vreemdeling, zoals Jezus Zijn Zoon als geen ander gedaan heeft.

Amen!