Logo van de kerk

overweging in 2019 op 29 september

Overweging 29 september 2019

Lezing 1 Samuel 18, 19 en 20

Saul bemint èn haat David om één en hetzelfde:
om zijn intelligentie, zijn moed, zijn dichterschap, zijn muzikaal vermogen,
zijn toewijding en zijn aanhankelijkheid.
David is, wat Saul ooit was;
David is, wat Saul had wíllen zijn.

Saul wantrouwt David. Is David uit op de troon, misschien?
Toch heeft Saul hem ook nódig:
Als legerleider, als therapeut, als raadsman.
Saul wil zich eigenlijk van zijn eigen behoefte aan Davids nabijheid bevrijden.
Hij wil zich daarom van David zèlf bevrijden.
Hij háát David, omdat hij hem liéfheeft;
hij wil hem uit de weg ruimen, omdat hij op hem áángewezen is.

(Uit: Elie Wiesel, Von Gott gepackt, S. 78-90
Verlag Herder, Freiburg, 1983)
 

Broddellapke

De eerste is een broddellapke, zo zegt een Friese uitdrukking en het gaat er dan over dat het eerste kind dat je krijgt voor de ouders een soort van proeflapje is, een stofje om je steken op uit te proberen maar ook soms steken te laten vallen, om bij de volgende met meer ervaring, meer geoefend de draad opnieuw op te pakken.
De eerste is een broddellapke, dat gevoel bekruipt je ook als je koning Saul en zijn weg volgt in de verhalen uit 1 Samuel, Saul, de eerste koning van Israel, als het broddellapke van God, een uitprobeersel, een oefenlapje, waar David met gemak glansrijk tegen af steekt als de upcoming man, de ware koning naar Gods hart. En dat maakt van Saul een tragische, maar tegelijkertijd ook zo boeiende personage in deze verhalen, omdat er zoveel menselijks aan hem is, omdat er zoveel is dat we van onszelf in hem herkennen, zijn eenzaamheid, zijn jaloezie en zijn grilligheid.
De Bijbel staat er vol mee, met mensen als Saul. Het zijn niet superhelden, die je tegenkomt in bijbelverhalen maar juist met mensen met hun barsten en breuken, met hun gloriemomenten maar nog veel vaker hun tragiek, met hun kracht maar net zo goed hun kwetsbaarheid.  Ja, zelfs de grote koning David zal over niet al te lange tijd zijn rafelranden gaan vertonen.
Soms lijkt het wel dat de mensen die het minst geschikt zijn precies de mensen zijn waar God naar op zoek is, in de verhalen van de Bijbel en nu nog steeds.

Het begint zo goed allemaal met Saul, hij is jong en schoon en steekt met kop een schouders boven de goegemeente uit, vertellen de eerste verhalen, hij is koninklijk van gestalte, en toch is Saul niet iemand die naar de macht grijpt, of het podium zoekt of zich naar boven werkt, hij verstopt zich zelfs op het moment van het uitroepen van zijn koningschap, maar deze is het, zegt God tegen Samuel, hem moet je zalven, hij zal koning zijn en de Geest van God die in Saul komt, bevestigt dit ‘ja’ van God.
En toch gaat het na een jaar of twee al mis en worden de eerste scheurtjes zichtbaar. Als Saul een slag wil voeren tegen de Filistijnen, zijn missie als koning, wacht hij in het heetst van de strijd niet op de profeet Samuel die het offer moet brengen tot God, maar doet hij dat zelf. Vanaf dat moment is Saul “aangeschoten wild”. Jouw koningschap houdt geen stand, waarschuwt Samuel, God zal een andere koning aanstellen en daar moet Saul het mee doen, het begin van het uiteindelijk bittere einde, want er volgt nog een lange moeizame weg tot aan zijn dood.
De eerste koning, het broddellapke van God.

Drie mensen verweven met elkaar…

Na de slag tegen Goliath, staan ze met zijn drieën in de tent, Saul, David en Jonathan. Een gedemoraliseerde koning, een in het geheim gezalfde herdersjongen en de kroonprins, verweven met elkaar door alle draden waarmee een mens maar met een ander mens verweven kan zitten, een kluwen van liefde en haat, van trouw en ontrouw, van vriend- en vijandschap, van bloedband tot zelf gekozen verbond, op leven en dood. Saul, David en Jonathan, ze zijn bij elkaar gebracht als pionnen op een speelbord, maar de grote speler zelf is er zelf weggelopen. Ze zijn op het toneel gezet door de grote regisseur, die vervolgens zelf uit de coulissen is verdwenen. Want waar is God?
Hij is hier de grote afwezige. Het is alsof God van alles op gang geeft gebracht in de levens van Saul, van David, en Jonathan en hen het vervolgens zelf laat uitzoeken. En dat is anders dan eerder in de verhalen. Bij Samuel is God nog heel direct betrokken, Hij fluistert dingen in, Hij wijst mensen aan, Hij bepaalt de loop der gebeurtenissen, maar na de zalving van David is God niet meer actief aanwezig, alsof hij zich heeft teruggetrokken en nu als toeschouwer wil zien hoe die mensen van hem zich redden.

Alle drie nemen Saul, David en Jonathan de naam van de Ene in de mond. Ze vertrouwen op Gods aanwezigheid, ervaren misschien af en toe daar wat van, zoeken wellicht met vallen en opstaan hun weg in Zijn spoor, maar hoe precies, daarin zijn ze op zichzelf aangewezen.
Wat moet David nu eigenlijk met zijn zalving, terwijl hij nog steeds Saul als de gezalfde koning dient?
Wat moet Jonathan met de trouw aan zijn vader en zijn positie als kroonprins, terwijl hij ook vriend is geworden van David en daarin ook iets van God vermoedt?
En wat moet Saul? Ja, wat moet Saul toch? Zit de liefde tot macht en de angst die te verliezen niet allemaal heel diep in ons?

…maar waar is God?

Het mooie aan dit verhaal van vandaag is, hoe dicht het bij ons eigen leven staat, hoe je als mens op allerlei manieren verweven bent met anderen om je heen, hoe relaties je vormen, of juist soms kwetsen, hoe je verweven bent met elkaar door prachtige, zuivere draden, maar soms/of vaak ook aan elkaar vastzit door benauwend, beklemmend weefsel en hoe je daar te midden van toch ook je eigen weg probeert te vinden, je verbindt je ook met het leven zelf, met je eigen unieke roeping en je vraagt je af of er iets van God te ontdekken valt in je leven, van zijn aanwezigheid en hoe dat richting geeft in de dingen die je doet, de afslagen die je neemt, is er zoiets te ontdekken als God die je dan leidt, bij de hand neemt? Is er iets waardoor je weet: ja, nu zit ik op de goede weg!

Tijdens het studieverlof volgde ik een traject geestelijke begeleiding, dat is: gesprekken voeren met een collega, een zgn. geestelijk begeleider die met jou optrekt in gesprek over jouw weg met God, jouw geloofsweg en één van de opdrachten die ik meekreeg was elke dag een stukje schrijven over waar ik sporen van God had ontdekt die dag, of anders gezegd, waar ik geraakt was als mens.
In het begin schreef ik vooral over het mooie, het schone, het goede, waar ik God in zag, de opgaande zon, een moment met de kinderen, een lied dat binnenkwam maar na een poosje begon dat toch te knagen, want zo begon ik me af te vragen, zou God werkelijk alleen daar zijn, in de mooie dingen of misschien toch ook in dat andere, net zo wezenlijke deel van een mensenleven, de moeites die je tegenkomt, of de kanten van jezelf waar je niet zo trots op bent, of daar waar het wringt, schuurt en botst in je leven of in jezelf?
God is in alles, zei mijn geestelijk begeleider. Of anders gezegd, met woorden van Simone Weil: God is net zozeer in het water, als in de dorst. Dus wie zouden wij zijn om bepaalde stukken van ons leven, ervaringen die ons tot mens maken, weg te houden bij God? Als het Woord werkelijk vlees is geworden, als God deelt in heel ons bestaan, dan mogen we ook alles bij God openleggen, heel dat leven van ons in al zijn gelaagdheid, complexiteit en soms weerbarstigheid. Juist dat maakt misschien uiteindelijk wel het verschil tussen mét God blijven leven of Hem helemaal onderweg kwijtraken.

Incurvatus in se

Hoe meer Saul vasthoudt aan zichzelf, aan zijn eigen positie, macht als ook de angst dat alles te verliezen, hoe meer hij opgeslokt wordt door zijn wantrouwen, zijn woede ook naar Samuel, naar David, naar God, hoe meer hij op zichzelf komt te staan, hoe meer hij in kringetjes rond gaat draaien, en hoe meer hij vereenzaamt. Hoe vaak David hem ook nog de gezalfde blijft noemen en hem het leven spaart uit eerbied voor wie Saul is, de koning, hoe zeer de trouw van zoon Jonathan aan zijn vader ook te merken is aan de manier waarop deze telkens weer het gesprek opent met zijn vader, ze komen er niet door bij Saul, hij zit gevangen in zichzelf en is uiteindelijk zelf zijn grootste vijand.
Incurvatus in se, gebogen, gekromd in jezelf, noemde Augustinus dat, je niet meer uitstrekken naar de ander, niet meer verbinding maken met de ander, met kleine en hoofdletter, maar gevangen in je eigen schuld en schaamte.

Dat is misschien net het verschil tussen Saul en David. Ondanks alle dreiging lukt het David om in Saul te blijven zien wie hij is, een gezalfde, een mens van God. Wat maakt dat hij kiest voor het leven in plaats van de dood. En ook later als David helemaal vastloopt in zijn eigen fouten, zijn verdraaierij en machtswellust, legt hij uiteindelijk toch weer de verbinding met God. David keert zich naar binnen, bidt en berouwt. Hij blijft niet incurvatus in se, gebogen in zichzelf, maar strekt zich uit naar God.

Vriend van…

Elie Wiesel, die schreef over de band tussen Saul en David, en waarvan ik een klein stukje voorlas aan het begin van de preek eindigt uiteindelijk met de woorden:

We mogen dan onderdanen zijn van koning David,
we blijven ook vrienden van Saul,

of we zijn, zo voeg ik dan maar toe, zoekend als Jonathan, zwervend tussen deze beide polen.
Wie we ook zijn, wie van deze drie of alledrie tegelijk, als we het maar blijven openleggen voor God, en het brengen bij Hem.

Amen