Logo van de kerk

overweging in 2019 op 14 juli

Overweging 14 juli 2017

Lezing Psalm 139

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

God breng de zondaars om,
weg uit mijn ogen jullie die bloed vergieten,
ze spreken kwaadaardig over u,
uw vijanden misbruiken uw naam,
zou ik niet haten wie u haten, Heer,
niet verachten wie tegen u opstaan,
ik haat hen zo fel als ik haten kan,
ze zijn mijn vijand geworden.

Al een poos geleden vertelde Andries Knevel er eens over, zijn ervaring met deze woorden. Zoon Herman belde zijn ouders op om te vertellen dat ze voor de tweede keer opa en oma zouden worden. Verheugd sloeg Knevel de Bijbel open om psalm 139 te lezen omdat die gaat over het wonder van een mens, geweven in de schoot van de moeder. Maar niet helemaal, vertelt Knevel, dat ene bloeddorstige stukje slaan we over, die kun je niet zomaar lezen zonder ook maar iets te weten van de context.
Aan tafel bij Jeroen Pauw wordt Andries Knevel er later nog eens mee geconfronteerd als Pauw juist deze verzen voorleest en hem vraagt of dit soort teksten uit de Bijbel niet dezelfde haat zaaien als waar teksten uit de Koran van beschuldigd worden.
Wat Knevel antwoordde, weet ik niet meer, maar hij werd er zeker door in verlegenheid gebracht en hij is niet de enige.

Toen ik deze week verschillende psalmhertalers naast elkaar legde zoals Huub Oosterhuis, Lloyd Haft en Piet van Midden, viel het onmiddellijk op hoe ze alledrie dit ene stukje hadden weggelaten. En terecht zou je zeggen. Toen ik deze week op pastoraal bezoek nog even vertelde waar het vandaag over zou gaan, riep iemand uit: Och Betty, moet je dat nou wel doen?
En inderdaad het is een lastig verhaal. Zo’n prachtige psalm, zo’n verstilde sfeer waarin een mens intiem en tijdloos deelt hoe hij zich gekend weet door God, hoe hij zich schepsel weet van de Schepper, gewild en geliefd, en dan ineens deze giftige, lelijke explosie tussendoor, over haat en vijanden en ombrengen. Alsof de psalmist ineens zijn donkere, duistere kant laat zien, alsof hij zijn onderbuik laat spreken, als het vrome laagje eraf gaat. O God, dat Gij de goddeloze ombrengt, staat in de Statenvertaling. Woorden die niet in verkeerde handen moeten vallen. Want voor je het weet, helpen mensen God daarbij een handje, bij dat ombrengen van de goddelozen…

En toch staan ze er, die woorden, je struikelt erover, je stoort je eraan, ze schuren met de rest, kortom, er gebeurt wat, ze schudden je wakker en het is op zijn minst de moeite waard te ontdekken wat dat ons te zeggen heeft.
Heel vaak gebruiken we de Bijbel om te zeggen wat we toch al vonden, of toch al wisten, maar als we er niet meteen mee uit de voeten kunnen, dan wordt in elk geval spannend.

Nu is dit niet de enige plek in het boek van de Psalmen waar gevoelens van vijandschap, haat en wraak onomwonden worden benoemd. Berucht is de passage uit psalm 137 even hiervoor waarin Israel aan Babels stromen ontroerend haar heimwee naar Jeruzalem bezingt en waarin de sfeer op dezelfde manier plotseling omslaat:

Babel, weldra word je verwoest,
gelukkig hij die wraak zal nemen,
gelukkig hij die jouw kinderen grijpt
en op de rotsen verplettert.

Op geen enkele manier wordt er een blad voor de mond genomen in de Psalmen, niet alleen gevoelens van dankbaarheid en vreugde, van jubel en verdriet, maar ja, ook woede en haat mogen aan bod komen en dat is ergens misschien telkens ook weer schrikken, zeker in de context van een kerk. Ik heb een vriendin die als psycholoog werkt in het Pieter Baan Centrum, en ik sta er wel eens bij stil hoe verschillend onze werksferen zijn. Terwijl zij dagelijks in een omgeving werkt waarin die kant (van de woede en haat) van het menselijk bestaan zichtbaar wordt, gaat het er over het algemeen in de kerk héél vriendelijk en beheerst aan toe, misschien was men vroeger nog feller, nu is dat allemaal wat bedaard.

In de Psalmen komen al die kanten van het menselijk bestaan onomwonden aan bod en dat kleurt de hele psalm. Lees de hele psalm maar eens vanuit deze verzen. Als er wordt geopend met hoe God mijn hart peilt, en doorgrondt, hoe Hij mij door en door kent, dan vind ik dat prachtig als het gaat om mijn mooie kanten, of mijn eerlijke vragen of groot verdriet, maar dat wordt al anders als het gaat om mijn boosheid, terecht of niet, mijn jaloezie of de uitspattingen waarbij ik mezelf niet in de hand heb, kanten die ik bij mezelf al niet graag onder ogen kom, laat staan dat iemand anders ervan weet.
In Japan, zo hoorde ik eens, waar het in de cultuur heel erg gaat om beheersing en jezelf in toom houden, konden zakenmensen af en toe een hotelkamer huren, die ze dan tegen betaling kort en klein mochten slaan.

Dit is het eerste wat er gebeurt, zou je kunnen zeggen, als de psalmen deze kanten van onszelf niet weglaten, namelijk dat die kant er mag zijn en meer nog dat je die kant mag laten zien aan God, en ook dat er iets gebeurt in dat laten zien van jezelf, wie zijn woede of haat laat zien aan God, dat biddend voorlegt, en verwoordt, die maakt als het ware een omweg in plaats van onmiddellijk te handelen vanuit die haat of woede.
Heel vaak worden dit soort heftige stukken in de psalm gevolgd door een dankgebed of zoiets als: Bij U kan ik schuilen en ben ik veilig. Er verandert blijkbaar iets als je met je woede en haat via de omweg van God gaat, of anders gezegd, zo kan het werken. Dat je niet zelf overgaat tot het nemen van wraak maar het overlaat aan de Levende, die er in zijn wijsheid dan maar over moet beslissen. De psalmist neemt het recht niet in eigen hand.
Onmiddellijk na de uitval in psalm 139 komt de psalmist bij zichzelf terug, kijkt hijzelf in de spiegel en bidt tot God: doorgrond mij, God, en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt zie of ik geen verkeerde weg ga.
Alsof hij ook heel goed weet dat de scheidslijn maar dun is tussen hem en degenen die hij als vijand bestempelt, die zijn ogen zondaars zijn. Meer nog, hij durft dat openlijk te bekennen naar God en vraagt God of hij hem wil helpen niet die scheidslijn over te gaan.

Wat precies de context is waarin deze psalm werd opgeschreven is niet helemaal duidelijk, maar het verhaal gaat dat het iemand is die omwille van zijn geloof in het nauw gedreven is en zich eraan vasthoudt dat God de enige is die hem echt kent en doorgrondt en weet van zijn onschuld. De woede-uitbarsting in onze verzen is een natuurlijke reactie op het onrecht dat hem wordt aangedaan, maar nóg bozer wordt hij als zijn God in het geding is.
Kritiek op of beschimping van iemands religieuze overtuigingen
is te vergelijken met een aanval op iemand geliefde,

schreef de filosoof Ron Wijnberg ooit. Anders gezegd, kom je aan God dan kom je aan mij. Ik moest zelf even denken aan hoe mijn verder rustige en goudeerlijke vader al laaiend kon worden door de gedachte alleen dat iemand ooit aan zijn kinderen zou komen. Even spannend als fascinerend vond ik dat als kind om dat te zien bij mijn vader, de gedachte dat hij dan tot dingen in staat zou zijn, wat anders nooit in hem op zou komen, en wat ik ook helemaal niet bij hem vond passen. Pas later begreep ik dat het de liefde was die hij voor zijn kinderen voelt, dat hij daartoe gedreven zou kunnen worden.

Zoiets herken ik ook bij de psalmist, een hartenkreet van een gelovige, die met hart en ziel het wonder van het menselijke bestaan belijdt, de waarde van menselijkheid, van gekend en geliefd worden, door een ander maar ook door zijn God die daar de bron van is, en die bijna niet voor zichzelf in kan staan, alleen al door gedachte aan wie die menselijkheid, dat wonder van het bestaan onderuit haalt, verspilt, verkwist en daarmee vijand van God, van het Leven zelf wordt.

Want de zondaars, de goddelozen, de vijanden in deze psalm zijn niet de ongelovigen, het zijn diegenen die achteloos met een mensenleven omgaan, die bloedvergieten en die misschien zelfs daar ook nog Gods naam bij aanhalen. Dan begrijp je ook dat de psalmist bijna geschrokken bij zichzelf terug komt. Met de bede: zie of ik geen heilloze weg ga. Want ook ik kan zomaar aan de andere kant van de lijn zitten, het recht in eigen hand nemen, het leven vernietigen, en zo vijand van God worden.

Tot slot, wat mij telkens weer treft in het lezen van psalm 139 is hoe herkenbaar en tijdloos en tegelijk intiem de psalm is, werkelijk God danken voor het wonder van jouw bestaan, dat doe je niet en pleine public maar in de stilte van je hart, werkelijk God vragen om jou te doorgronden, te peilen, dat is iets tussen God en jou alleen en werkelijk de donkere kanten in jezelf bij God brengen, ze uit handen geven aan Hem in de hoop dat je er uiteindelijk niet in verdwaalt en jezelf erin verliest, ook dat doe je in de beslotenheid met Iemand die je echt helemaal vertrouwt en die je ondanks alles niet zal afwijzen, maar op zal vangen.

In die intimiteit, in dat gekend zijn in werkelijk alles wat er in je leeft, kun je uiteindelijk doorleefd zeggen: Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven.

Amen