Logo van de kerk

overweging in 2019 op 10 november

Overweging 10 november 2019

Lezing psalm 131,

Mien herte is nich greuts

12 jaar geleden zaten wij vol verwachting, ergens helemaal bovenin Carré te wachten op het begin van de show van Herman Finkers. Hij was 7 jaar niet op het toneel geweest en nu stond zijn nieuwste voorstelling – Na de pauze - op het punt van beginnen. De lichten gingen uit, het werd stil en vanuit het donker klonk zijn stem. Hij begon - in het Twents - met het citeren van een psalm, de psalm die we vanmorgen gehoord hebben.
Hij zei daarover: je moet aan het begin van zo’n voorstelling meteen de goede toon te pakken hebben en de psalm paste bij mijn stemming van toen, zeven jaar lang was ik stil weggekropen in een hoekje, buiten de spotlight, zonder publiek. Oftewel: bedaren liet ik, verstillen mijn ziel.

De tekst van psalm 131 gaat al lange tijd met mij mee, maar telkens heb ik geaarzeld of ik er over zou moeten preken, uit een soort ontzag voor de tekst, en voor de ervaring die achter de tekst lijkt te schuilen. Dat is zo’n intieme en verstilde ervaring, dat je het risico loopt het wezenlijke ervan om zeep te helpen zodra je erover gaat praten, zodra je het gaat uitleggen. Ik laat vanmorgen daarom de tekst van de psalm ook op de beamer staan tijdens de preek, zodat u de woorden af en toe nog een keer kunt lezen, kunt proeven en erover kunt mijmeren, mediteren, want daar lenen ze zich heel goed voor.
En toch ga ik er ook wat over vertellen, en uitleggen, wat verdieping aanbrengen in die mooie woorden, en mijn ontdekkersvreugde van deze week met u delen want die was er nu ik het er toch op gewaagd heb.

Onrust voor rust

Allereerst, zoals de psalm bij Finkers in een bepaalde periode van zijn leven boven kwam drijven, zo moet dat ook zo zijn geweest bij David. Als je de woorden proeft, dan is hier niet de David aan het woord die op de vlucht is voor Saul, of de koning die meer en meer aan populariteit wint in Israel, en ook niet de David die net aan de macht is gekomen, of die in een of andere strijd verwikkeld is met welke vijand dan ook, nee, eerder is hier een David aan het woord die zich van dat alles teruggetrokken heeft, heel dat leven tot dan toe beschouwt, beproeft, er de balans van opmaakt.

Finkers deed ergens hetzelfde toen hij uit de spotlight stapte, hij was een succesvol cabaretier, werd door massa’s mensen omarmd, en leek niets tekort te komen en toch, zo vertelde hij, was ik helemaal zat van mezelf, van mijn eigen humor, van wie ik was in de ogen van de mensen en wat mensen van mij verwachtten, o, dat wordt lachen met Herman, en toch kon ik er bijna niet mee stoppen, kon ik het niet veranderen, dus moest ik me wel radicaal terugtrekken, de stilte ingaan, ja alleen met mezelf zijn, mijn eigen onrust, zonder publiek, zonder toeschouwers. Dat hij in diezelfde periode uiteindelijk ziek werd, dat was meer een toevalligheid dan de reden waarom hij stopte.

Niet trots is mijn hart, niet hoogmoedig mijn blik, ik zoek niet wat te groot is voor mij, en te hoog gegrepen, kortom, een ziel tot rust gekomen.

Maar aan die woorden gaat wel een hele weg, een hele wereld vol onrust vooraf: trots, hoogdravende ambities, streven ergens te komen in de wereld, grootse dingen doen. Je wilt niet zonder betekenis zijn, je wilt je onderscheiden van anderen, iemand zijn.
Op deze kant van het leven wordt in onze samenleving flink de nadruk gelegd, ja teveel wellicht, te eenzijdig en dwingend, alsof dat het enige is, wat mens-zijn, wat leven inhoudt, met alle gevolgen van dien, steeds jongere mensen met burn-outs maar, tegelijkertijd, het is ook iets wat bij de weg van een mens hoort, proef ik in deze oude woorden. Het is an sich niet verkeerd te streven, te dromen van grootse dingen, hoog te mikken, want dat brengt een mens, dat brengt deze wereld en het leven verder. Maar het is niet het enige. Er zit een grens aan, de rek is er soms uit, je kunt niet eindeloos doorgaan op je succes, ambitie, je altijd maar willen verbeteren en wedijveren met anderen.

Zoiets ontdekt de David die in deze psalm aan het woord is, zoiets ontdek je soms in je eigen leven, misschien door iets wat je meemaakt, waar je tegen grenzen aanloopt, maar soms ook gewoon gaandeweg het leven, dat er zich steeds duidelijker een stem laat horen in je binnenste die zich afvraagt: waar gaat het om, wat is wezenlijk, wat voedt me nu werkelijk, waar houd ik het nu uiteindelijk op de lange duur mee vol? Want dat is vaak uiteindelijk niet al je ambitie, succes, prestatiedrang, streven etcetera.
Eigenlijk zoals Herman Finkers luisterde naar die stem in zijn binnenste. Hij had ook gerust nog een poos zo door kunnen gaan, nog jaren kunnen teren op zijn succes maar dan was het van binnen leeg geworden in hem, zo vermoed ik.

Gespeend

En nu komt de ontdekkersvreugde van deze week toen ik met deze psalm bezig was. Eigenlijk heb ik het vervolg van de psalm altijd zo gelezen dat de ziel rust vindt bij God, in het woelen van de wereld, in het woelen van een mens vind je uiteindelijk rust bij God, overgave, ja, zelfs verzadiging. Zoals een gevoed kind bij de moeder, zo vindt een mens voeding en rust bij God. En dat alleen al is een prachtig beeld, als je daarbij even de blik van een pasgeboren en pasgevoede baby voor ogen haalt. Een soort van totale overgave en ontspanning, en niets meer nodig hebben.

Maar als moeder weet je ook: dat is niet voor lang. Straks komt weer het hongeren, het zoeken, het verlangen naar nieuwe voeding. Het lijkt soms eindeloos. Zo is soms ook onze ziel, telkens zoeken en hongeren we weer naar opnieuw rust, opnieuw troost, opnieuw aanvaarding en erkenning en stilte en vrede. Soms zoeken we het bij God, maar als God het ons niet genoeg geeft, dan raken we misschien teleurgesteld en zoeken het in een relatie, dan weer in een cursus, dan weer in de kerk en dan weer in nog iets anders.

Maar de psalm zegt wat anders dan ik altijd had gedacht:
Als een gespeend kind bij zijn moeder,
Als een gespeend kind rust mijn ziel bij mij.

Een gespeend kind, dat is geen pasgeborene, maar dat is een kind dat de moederborst ontwend is, een 2 a 3-jarige, een kind dat zijn eerste grote stap naar zelfstandigheid in de wereld heeft gezet, een kind dat rustig op de schoot van de moeder kan zitten, zonder de hele tijd iets van haar te willen, zonder de hele tijd te zoeken en iets van haar te verlangen. Het kind is gegroeid in zijn wezen, in zijn houding, heeft iets van de eerste onrust in zichzelf tot bedaren gebracht.

En dat, ook dat is een prachtig beeld om verder over door te denken in onze verhouding met God. Een beeld dat ons weer een stapje verder brengt en ook laat groeien, innerlijk gezien. Kunnen we ook bij God zijn zonder de hele tijd iets van hem te willen, zonder hele tijd iets van hem te vragen, zoals een gespeend kind bij de moeder? Kunnen we zélf onze ziel in ons tot bedaren brengen, kunnen we zelf onze onrust, ons verlangen dat alle kanten opschiet aangaan zonder dat we al te snel willen of verwachten dat God het voor ons wegneemt of oplost, zoals een moeder het huilen van een pasgeborene tot stilte brengt. Kunnen we ook bij God zijn, in Hem geloven zonder de hele tijd iets van hem te vragen, niet alleen de materiële dingen maar ook dingen als innerlijke rust, inspiratie, hoop, kracht, anders gezegd, kunnen we meer bij God zijn om wie hij is dan om wat hij geeft?

Als je het even vergelijkt met een relatie met een partner of een vriend/vriendin: daar houd je het uiteindelijk niet mee vol, en die relatie is uiteindelijk niet gelijkwaardig als diegene er alleen is voor jouw eigen behoeftebevrediging, ook in je relaties wil je en moet je uiteindelijk leren om de stap te zetten te houden van iemand om wie hij of zij is en niet wat hij of zij je geeft, of aanvult in wat jou ontbreekt, of voor jou oplost waar je met jezelf niet mee uit de voeten kunt, dan hangt teleurstelling in de lucht als die ander niet meer levert waar jij om vraagt, je groeit als mens als je voor jezelf, en uit jezelf en in jezelf rust vindt, je eigen ziel tot bedaren kunt brengen. 

Houden van iemand om wie hij/zij is en niet om wat hij je geeft, zou het ook kunnen als het gaat om het zijn bij God, het je geborgen weten bij God, het geloven in God? Meer om wie God is dan wat God geeft, anders hangt wellicht ook als het God aangaat teleurstelling in de lucht, als God ons niet voldoende geeft waar wij om vragen. In deze omgang met onszelf én met God, daarin schuilt de werkelijke stilte, de werkelijke rust van de ziel, zo klinkt de belofte door van deze psalm.

Een weggetje

Literatuurcriticus Kees Fens zei ooit dat psalmen een soort van weggetjes zijn, die je kunt volgen, je begint eraan en komt ergens anders uit dan je begonnen bent, ze brengen je altijd ergens naar toe.

Wat een weg schuilt er dan in deze psalm, die een van de kortste is om te lezen maar misschien wel de langste om te leren. Het begint bij onze trots, onze ambitie en prestatiedrang, onze drang naar succes. En leidt ons vervolgens langs onze behoefte naar rust en verstilling en daar om vragen en zoeken bij God, als een hongerig kind, tot uiteindelijk een ziel die verstild in zichzelf genoeg heeft aan geborgen te zijn in de nabijheid van God, te rusten als een gespeend kind op de schoot van de moeder.
En waar je ook op die weg bent, het is goed, elke fase heeft zijn eigen zeggingskracht en betekenis, tot de onrust, het verlangen weer de kop opsteekt, en je weer een stukje verder gaat op je weg.

Ene, niet hoogmoedig is mijn hart.
Niet hovaardig zijn mijn ogen,
niet heb ik mij bewogen
in dingen te groot, te wonderlijk voor mij.

Nee, bedaren liet ik, verstillen mijn ziel,
Als een gespeend kind bij zijn moeder,
Als een gespeend kind rust mijn ziel bij mij.

Hoop, Israel, op de Ene,
van nu aan
en tot in eeuwigheid. 

Amen