Logo van de kerk

overweging in 2018 op 3 juni

Inleidende woorden op de dienst

Er was eens een man uit Oez die Job heette. Zo begint het bijbelboek Job, het klinkt bijna als een sprookje, maar de thematiek van het boek is alles behalve sprookjesachtig. Een verhaal over een mens die alles verliest en zoekt hoe hier uit te komen met God, een weg daarmee te vinden voor het aangezicht van God. Een verhaal dat over een ieder van ons zou kunnen gaan, en zo is het ook bedoeld, als voorbeeldverhaal, als parabel, niet echt gebeurd en toch waar, van waarde om het in de trant van Nico ter Linden te zeggen. Of het van waarde blijkt te zijn, dat mag u zelf beoordelen, vandaag en nog drie zondagen lang zal Job centraal staan

Na de overweging luisteren we naar het lied Nulpunt van Stef Bos, een lied dat hij schreef over de figuur van Job.

Nulpunt

Nu ik alles heb verloren
En de stilte mij verwacht
En ik mijzelf heb teruggevonden
Daar waar ik dacht dat ik niet was

Nu ik alles los moet laten
En het donker mij omarmd
Alle grond is weggeslagen
Moe gevochten en gestrand

Sta ik in de open vlakte
Weet niet wat nog te geloven
En ik heb niets meer te verliezen   
Dus ik geef me beter over

Nu ik de grens heb leren kennen
Tot waar mijn handen kunnen gaan
Nu ik weet wat mij te doen staat
Gebouwd op wat ik heb gedaan

Nu ik zie hoe op het nulpunt
Ik door de leegte wordt gered
En verbaasd ben hoeveel liefde
Zich altijd weer naar buiten vecht

Ik sta hier in de open vlakte
Weet niet wat nog te geloven
En ik heb niets meer te verliezen   
Dus ik geef me beter over

(Van de cd: “In een ander licht ”)

Een verhaal van ons allemaal

Er is geen ander bijbelboek dat zoveel kan oproepen n je ook zo erg kan raken als het bijbelboek Job. We merkten het dinsdag in de voorbereiding ook, toen we rond de tafel zaten om de eerste hoofdstukken te bespreken.
Dat verhaal van Job, van een integer en waarachtig mens die alles, maar dan ook echt alles kwijtraakt, roept onwillekeurig beelden op van mensen, dichtbij of ver weg, die net als Job getroffen worden door de ene na de andere rampspoed, mensen waarvan je zegt: dat nu juist hem of haar dit moet overkomen. Wat is dit toch vreselijk. Woorden schieten te kort. Of het verhaal van Job herinnert je aan tijden in je eigen leven dat de grond onder je voeten vandaan zakte, met alle vragen naar zin, naar God en hoe nu verder die daar toen en misschien nog steeds bij horen. Waar je nog steeds mee bezig bent om er mee in het reine te komen… als dat al kan.

Dat maakt het spannend om werkelijk in dit verhaal te duiken, Juist om wat het oproept, om wat het teweeg brengt, het vraagt een zekere moed om dat onder ogen te komen, en tegelijkertijd weet je: dit is een verhaal van ons allemaal, van ieder mens, van alle tijden en plaatsen. In elk mensenleven is er wel een punt waarop je door de diepte van leed heengaat dat je treft en waar een ieder zijn of haar eigen zoektocht moet afleggen, hoe een weg te vinden met wat er gebeurd is en hoe dat te rijmen met vragen naar God, naar geloven, naar houvast. Uit dit vragen en zoeken van echte mensen is het verhaal van Job ooit eens geboren, niet als een verhaal dat antwoord geeft op alle vragen, wel als een verhaal dat die zoektocht van ieder mens erkent en herkent. Wat je al lezend soms misschien een stap verder kan helpen, of inzicht kan geven of houvast of troost, misschien alleen al door het feit dat dit verhaal in de Bijbel staat als erkenning dat ook deze kant van het leven voluit gehoord mag worden bij God.
Toch staat de vraag naar de worsteling met het lijden in deze eerste hoofdstukken van vandaag nog niet zozeer op de voorgrond, dat komt straks nog volop verderop in het boek, in de gesprekken tussen Job en zijn vrienden naar het waarom van al dit lijden. Maar hier aan het begin “aanvaardt” Job zijn lijden min of meer en brengt hem dat nog niet zozeer in conflict met God, zoals dat later wel zal gebeuren.

Scène in de hemel?

Niet zozeer wat op ‘de aarde’ gebeurt, maar eerder wat er in de hemel gebeurt trekt vandaag onze aandacht, dat is het meest vreemde van deze ouverture van het boek. Dat roept toch wel de meeste vragen op. Wat is dat toch voor een scène die zich daar afspeelt, de hemel waar God temidden van zijn pupillen (vertaling Drijvers/Hawinkel), van zijn intieme kring wordt voorgesteld, en waar een mysterieuze figuur als de Aanklager zich tussen bevindt, die door God wordt aangesproken en die vervolgens God overhaalt om een trouw en waarachtig mens te beproeven op zijn geloof en God die daarin meegaat? Of dat in elk geval niet tegenhoudt?

Job krijgt van dit alles niets mee, van dat gebeuren in de hemel, hij moet het doen met wat het leven hem brengt, met alle mysteries die daar bij horen, ook later wordt hem er niets over onthuld, zelfs niet in zijn ontmoeting met God. Maar wij als lezers krijgen het wel mee hier aan het begin en de vraag is wat degene die dit verhaal van Job ooit opschreef er ons mee wil zeggen, wat hij erdoor aan de orde wil laten komen, wat hij ermee wil oproepen. We luisteren naar de tekst:
In het land Oez woonde eens een man met de naam Job.
Een integer en waarachtig man:
hij had respect voor God en ging het kwade uit de weg.

En dan volgt wat Job allemaal wel niet bezit, zoons, dochters, vee, personeel, in alle opzichten is hij de rijkste oosterling van de wijde omtrek. Twee extremen worden over hem verteld, de meest waarachtige, godvrezende man én de meest welvarende. Dat was een vertrouwd beeld voor Israel in die tijd, omdat de heersende theologische opvatting was dat wie goed en rechtvaardig leefde, gezegend werd door God en wie er maar op los leefde en zondigde, gestraft werd, oftewel getroffen zou worden door het noodlot.
Anders gezegd, in deze opvatting heeft een mens er voordeel bij te leven met God, het levert je wat op te geloven, want trouw aan God geeft voorspoed en zegen, rijkdom en gezondheid of bescherming maar God vergeten en niet met hem leven zorgt voor tegenspoed, leed, ongeluk.

En omgekeerd werd dan vaak geconcludeerd dat wie door het lot getroffen werd daar op een of andere manier zelf wel schuld aan zou hebben en dat wie het voor wind ging, dat als zegen van God ontving. En juist bij deze opvatting stelt dat intro van Job vragen, juist bij deze opvatting wil de verteller een tegenstem bieden, verhalenderwijs vraagt hij zich af: ja, als het mensen wat oplevert te geloven, als je er voordeel uit haalt met God een relatie aan te gaan, dan is de stap om te geloven gemakkelijk gezet. Het is iets wat nog steeds als kritische stem bij geloven/ tegen gelovigen, wordt gezegd: zolang het je goed gaat is het niet moeilijk om te geloven. Er is zelfs een hele theologie omheen ontwikkeld, die welvaartstheologie wordt genoemd en die er kortweg op neerkomt dat wanneer een mens maar genoeg gelooft het hem of haar ook welvaart oplevert, succes, beloningen. Afgelopen week was er toevallig het bericht van een tv-prediker die naast drie vliegtuigen die hij al had om geld vroeg voor een vierde, omdat naar eigen zeggen ‘God het wil’.

Trouw aan God omwille van…?

Dat is uiteraard een extreem voorbeeld maar de vraag waar de relatie met God, het leven met God, de trouw aan God op gestoeld is, dat is een vraag om over door te denken, waar het verhaal van Job ons over wil laten doordenken. Door dat vreemde gesprek tussen God en de aanklager, in de wisselwerking tussen die twee, stem en tegenstem, vertrouwen tegenover wantrouwen daar doemt die vraag op, waarom zijn mensen eigenlijk trouw aan God, waarom geloven we in Hem, wat is geloven in de kern, is het om het voordeel dat we eruit halen, om wat het oplevert, wat het ons geeft of is het om niet, om God zelf, uit liefde tot God?
Zou je ook met God blijven optrekken, door het leven gaan, vertrouwen in Hem hebben als het om niet was? Om God zelf? Uit liefde voor God zelf? Wat kan je geloof verduren? Als het leven anders loopt dan je gehoopt en gedacht had, blijft die band met God bestaan of haak je teleurgesteld af? Houd je geloof dan stand? Dat is een vraag die voor ieder die gelooft wel van belang is.
Je kunt het vergelijken met relaties die wij mensen onderling ook aangaan, waar toch, hetzij misschien verborgen, vaak verwachtingen meespelen van wat die relatie je oplevert, wat die relatie je geeft. Met je partner, met vrienden, met familie. Hoe makkelijk raak je niet verstrikt in het patroon voor wat, hoort wat. Hoe vaak breekt het relaties/vriendschappen niet op als je hetzelfde verwacht te ontvangen als wat je geeft. En uiteindelijk blijft de vraag in het midden achter: waarop was die liefde, die relatie, die ene vriendschap nu werkelijk gestoeld, was het werkelijk om diegene zelf, om de liefde, om de vriendschap, of was het toch gebaseerd op een patroon van verwachtingen, van geven en nemen, van winst behalen, er je voordeel mee doen.

Iemand vertelde deze week nog hoe ze bij allemaal vrienden had behangen, maar hoe toen zij daarom vroeg niemand thuis gaf. Zo leer je je “echte vrienden” wel kennen, zei ze. Maar kun je je afvragen: waar was de vriendschap dan op gebaseerd? Een soort van contract of werkelijk contact? Omgekeerd zou je ook kunnen zeggen dat relaties, dat liefde en vriendschap aan diepgang winnen en groeien, als je, ook als het leven anders loopt dan verwacht, het volhoudt met elkaar, alsof je dan meer aan de kern, aan het wezenlijke van de relatie, van de liefde toekomt. In het pastoraat zie ik het ook vaak gebeuren, dat het of de ene of de andere kant opgaat met mensen in hun relatie met God, als tegenslag hen treft, óf mensen haken teleurgesteld af, geloven, God heeft hen niet gegeven wat ze ermee hoopten te behalen óf mensen groeien dichter naar God toe, zelfs in alle verlies, weten ze zich dicht bij God, alsof ze meer aan de kern toekomen van wat geloven is, aan wie God zelf is.

Eigenlijk verwoordt Job ook iets dergelijks, ook al weet ik dat deze woorden juist vaak ook in het pastoraat beschadigend zijn gebruikt, als hij zegt: De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geloofd. Anders gezegd, met alles wat ik had en ook zonder alles ben ik en blijf ik van God, daar verandert niets aan, de Naam van de Heer zij geloofd.
Daar staat eigenlijk gezegend, dat wil zeggen, niet vervloekt, niet afgeschreven, de naam van de Heer – Ik ben er bij – die blijft overeind, die blijft waar, ook als alles mij ontvalt, als ik alles verlies, blijft die naam waar voor mij. En er wordt nog bij verteld dat Job God geen dingen toeschreef die niet bij Hem passen.
‘Hij sprak geen onzin, geen dwaasheid over God. Hij zei niet: dit overkomt mij, dus er is geen God, of: dit overkomt mij, dus het heeft geen zin om integer en waarachtig te leven, of, dit overkomt mij, dus ik zal het wel verdiend hebben. ‘
(citaat W. van der Zee, uit: Wie heeft daar woorden voor?)
Nee, alleen: de naam van de Heer zij gezegend, Hij is erbij, ondanks alles. De relatie met God blijft overeind, hoe dan ook.

Hij is erbij, ondanks alles…

Misschien kun je zeggen dat die eerste hoofdstukken van Job ons daartoe uitnodigen, zo te groeien in geloof, in onze relatie met God, dat we het er ook mee uithouden als leed ons treft, dat we ook dan durven blijven vertrouwen omdat God om niet van ons blijft houden, trouw aan ons blijft, ook op die momenten dat we zelf niets te geven hebben voor ons gevoel. Op die momenten dat het leven ons leeg en uitgeschud achterlaat, dat het aan die liefde van God voor ons niets veranderd, omdat Hij ons trouw is om niet en andersom ook dat wij het met Hem uithouden om niet, om wie Hij is en niet om wat Hij ons oplevert. En dat hoeft niet vroom, stilzwijgend, of gedwee, zoals we straks zullen merken aan Job, dat mag met schreeuwen, klagen en roepen, met alle vragen die we maar hebben zonder antwoorden, ook dat hoort bij onze relatie met God, bij ons geloven in Hem, maar als we daardoorheen maar ervaren dat we blijven leven in verbondenheid met Hem. En ons daaraan durven overgeven.

Of met de woorden van Stef Bos

Nu ik zie hoe op het nulpunt
ik door de leegte wordt gered
En verbaasd ben hoeveel liefde
zich altijd weer naar buiten vecht

Amen