Logo van de kerk

overweging in 2018 op 24 juni

Overweging 24 juni 2018

Lezing: Job 38/40:1-5

Climax?

Het zou het absolute hoogtepunt van het boek moeten zijn, de uiteindelijke apotheose, de climax waar alles naar toe heeft gewerkt. Na alles wat Job doorstaan heeft, na al die eindeloze redevoeringen van de vrienden na die onverzettelijke vasthoudendheid van Job aan zijn eigen onschuld, én aan God, na al Jobs bidden, roepen en klagen, na dit alles zou het het absolute hoogtepunt moeten zijn, het verlossende woord, de uiteindelijke ontknoping: het antwoord van God, God die eindelijk het zwijgen doorbreekt en zijn trouwe vriend Job antwoordt. Bijna als een beloning voor Jobs trouw en geloof.

Maar niets is minder waar, als je dit antwoord van God op je in laat werken. Zoals wel vaker met een climax, waar je lang op gewacht hebt en naar toegeleefd, valt het nogal tegen, als het moment werkelijk daar is en zoiets lijkt ook te gebeuren met dat antwoord van God, dat we vandaag lazen, zeker op eerste gezicht. We merkten het ook in onze bespreking van afgelopen dinsdag met een groep gemeenteleden.
Want wat is dat voor een antwoord van God, kun je het eigenlijk wel een antwoord noemen? In een stortvloed van beelden, die overigens prachtig zijn wordt vraag na vraag op Job afgevuurd, zeventig in totaal, las ik ergens, maar nergens gaat God in op de concrete situatie van Job, nergens een woord van troost, alleen maar vragen, vragen, vragen.

Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
Heb jij ooit de morgen ontboden?
Betrad jij ooit de plaats waar de zee opwelt?
Vertel het me, als jij zoveel weet…

Hebben God en Job hier wel werkelijk contact? vroeg iemand zich af in onze bespreking. Is er wel iets van een vertrouwensband te merken? Is dit nu waar Job op zit te wachten? Is dit waarom hij God zo graag wilde spreken? Wat moet je hier nu van vinden, van zo’n antwoord, wat vindt Job ervan?

Wat is de vraag?

Voordat we ons verdiepen in het “antwoord” van God is het goed om ons eerst nog eens af te vragen wat nu precies Jobs vraag was. Hij zegt dan wel aan het einde van zijn betoog: Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven, maar op welke vraag precies? En misschien moeten we het ook nog breder trekken: wat zou eigenlijk onze vraag aan God zijn als we getroffen worden door lijden en verdriet? Waar zouden we van God een antwoord op willen? Wat zouden we van Hem willen horen? Is het een antwoord op de vraag: waarom overkomt mij dit? Hoewel ik deze vraag trouwens steeds minder als specifieke vraag aan God tegenkom. Maar stel: dat dat onze vraag aan God zou zijn, of stel dat dat Jobs vraag aan God zou zijn na alles wat er gebeurd is, zou er dan werkelijk een antwoord te bedenken zijn dat recht doet aan die vraag en aan het lijden waaraan die vraag ontspringt, bijna een noodkreet, een roep van wanhoop: God, waarom? Zou er een antwoord te vinden zijn dat daar recht aan doet?
Iemand vertelde ooit eens hoe ze bij de dood van haar broer die waaromvraag wel kende, maar hoe ze het vreselijk vond als mensen daar op één of andere manier antwoord op probeerden te geven, dat deed de grootte van het verdriet geen recht, zei ze.

Waaraan heb ik dit verdiend? Zou dat een vraag zijn die we aan God zouden willen voorleggen als we Hem zouden kunnen spreken wanneer ons een zwaar lot treft. God, waaraan heb ik dit verdiend? Daar zit misschien nog een vraag achter, namelijk: Had ik dit allemaal kunnen voorkomen? Had ik het tegen kunnen houden? Had ik iets kunnen doen?
In allerlei situaties is dat een voorstelbare vraag. Ook in de situaties waarin iedereen zal zeggen van niet, dat je dit nooit en te nimmer had kunnen voorkomen, ziekte, een noodlottig ongeval, of wat dan ook, ook dan kan zo’n vraag toch aan je knagen. Er zit misschien vooral ook een gevoel achter, namelijk schuld, dat je ergens schuld op je hebt geladen waardoor dat ene vreselijke jou of die geliefde ander overkomen is.
De vraag “God, waaraan heb ik dit verdiend?” vraagt niet zozeer om een concreet antwoord als wel om een zoeken naar verlossing van die schuld of dat schuldgevoel.
Of zijn er nog andere vragen die je aan God zou willen voorleggen, waar je een antwoord op wil, als het gaat om alles waaraan je lijdt? En welke dan? En met welk antwoord zou je tevreden kunnen zijn? Zou er zo’n antwoord te vinden zijn?

Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven, roept Job uit. En tegelijkertijd stelt hij tegenover God dat hij, Job, dit nu eenmaal niet verdiend heeft, dat hij onschuldig is. Als Job al vragen heeft, dan zijn het vragen naar God, waarom Hij is zoals hij nu lijkt te zijn, eerder tot vijand geworden dan tot vriend van Job, eerder iemand die hard oordeelt over zijn kwetsbare mens, dan mild, en barmhartig. Het is alsof Job vooral tegen God uitroept: zeg toch iets, spreek, blijf niet langer zwijgen, laat me niet langer alleen met mijn eigen gedachten of die onzinnige redeneringen van mijn vrienden over U waar ik geen kant mee op kan, zeg toch iets, laat van je horen, God.

Antwoord als een storm

En God laat van zich horen, en hoe! In een storm, niet in het suizen van een zachte stilte. We struikelden erover, de toon die klinkt uit het antwoord van God. Job wordt klein gemaakt, zei de één, hij wordt op zijn nummer gezet, zei een ander, hij moet weer weten wat de verhoudingen zijn, dat hij mens is en God God.
De Israëlische schrijver Meir Shalev schrijft in zijn boek De Bijbel nu, een hervertelling van bekende bijbelverhalen
“Het is te veronderstellen dat Job even de verschrikkelijke jeuk van zijn zweren vergat en met stomheid geslagen luisterde naar de stortvloed van onzin die over hem heen kwam. Bovendien wist hij uit bittere ondervinding dat hij tegenover God beter niet de wijsneus kon uithangen. Toen God hem uiteindelijk vroeg of hij wat terug te zeggen had, antwoordde hij dan ook kortweg:
‘Zie, ik ben te gering: wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. Job had geen zin zich nog meer ellende op de hals te halen.”  (p. 134).
Volgens Shalev kan Job nooit voldoening hebben gevonden in Gods antwoord.

De Joodse schrijver Abel Herzberg schreef een roman waarin een man, die net zoveel doorstond als Job, uiteindelijk tot de conclusie komt dat Job zich te snel laat overdonderen door God en te snel het hoofd lijdzaam buigt, nadat hij zo vol vuur God had aangeklaagd. In die roman schrijft de hoofdpersoon een brief aan Job, waarin hij zegt:
“Ik heb er geen vrede mee, Job, dat je gezwicht bent en je proces niet hebt doorgezet. Er moet recht gesproken worden tussen jou en God, en ik sta aan jouw kant. Jij, Job, zult de aanklager zijn en de havelozen, de kinderlozen, de vader- en moederlozen, de door de wereld verdoemden, zul je oproepen als je getuigen.”
Ook Herzberg kan geen vrede hebben met het antwoord van God. Job had God langer moeten ondervragen, zegt hij.

En toch wringt dat beeld dat God hier Job monddood wil maken. Dat hij hem stil wil krijgen met overdonderende taal dat het God daar om te doen zou zijn. Alleen al als je het begin van het boek leest, waarin God spreekt van Job als een trouwe vriend en waarin zijn zorg voor Job doorklinkt, dat rijmt niet met het beeld dat God Job nu van zich af wil schudden als een lastpost, als een vervelende vragensteller. Met een slikken of stikken antwoord.

Uitzoomen en inzoomen

Wat er gebeurt in dat antwoord van God is, dat er nadat je hoofdstukken lang ingezoomd bent geweest op één mens, met één concreet levensverhaal met daarin alle moeite en pijn, dat God met zijn vragen over zee, aarde, hemel, diepte, hoogte ineens het perspectief laat verspringen. Je zoomt uit, je ziet ineens het grotere geheel, de grote samenhang, een gevoel van tijd en ruimte dat dat ene concrete mensenleven overstijgt. Het deed mij even denken aan de onuitwisbare indruk die het op astronauten maakt als ze de aarde vanaf een afstand hebben gezien, of zoals je dat zelf soms een beetje ervaart als je vanuit een vliegtuig naar beneden kijkt, of over een grote stad heen vliegt.
Ooit vloog ik over Mexico-City in de nacht met al zijn lichtjes. En de perspectiefwisseling duizelt je, je kunt het niet bij elkaar brengen in je hoofd. Aan de ene kant weet je dat er daar op de grond miljoenen mensen zijn met allemaal hun eigen verhaal, hun eigen vreugde en verdriet en tegelijkertijd lijkt het vanuit de lucht zo klein, zo betrekkelijk.
Zoiets gebeurt daar in dat antwoord van God aan Job, er wordt uitgezoomd, het perspectief wisselt, er komt afstand tot dat verhaal van Job alleen.

En tegelijkertijd gebeurt er iets anders, iets wezenlijks dat wat meer verborgen is, namelijk dat hier voor het eerst weer de godsnaam wordt gebruikt. De naam van God die vertaald wordt met Ik zal er zijn, de naam die nabijheid, vertrouwdheid en tegelijkertijd iets van een geheim oproept. Hiervoor ging het telkens óver God, als een idee, als een theorie. Maar juist hier wordt God weer een levende aanwezigheid. Iemand die werkelijk tot je spreekt, die dichtbij komt, die dichtbij Job komt.
Twee tegengestelde bewegingen lijken het, aan de ene kant weg bij het verhaal van Job alleen, aan de andere kant komt God en wie Hij is, dichterbij. Aan de ene kant roepen al die vragen van God over de zee, de aarde, het licht iets op van de grootsheid van God, het ademt de sfeer van het scheppingsverhaal van Genesis, en dan niet om Job klein te maken, maar in de zin van Gods betrokkenheid op heel zijn schepping, zijn zorg voor heel deze aarde, zijn aanwezigheid altijd en overal als een God van alle tijden en plaatsen, wat er ook gebeurt in jouw eigen leven. Dat kan soms een troost zijn, dat wat er ook gebeurt in jouw eigen “kleine”geschiedenis, dat er een doorgaande lijn is, die daar niet van afhangt, die hoe dan ook overeind blijft.

Iemand omschreef God laatst in een tv-programma als de kracht die naar heelheid zoekt in dit leven, en hoe haar dat troostte, vooral op al die momenten dat ze dat zelf niet deed, of kon. En aan de andere kant komt God heel dichtbij Job, als degene die tot Hem spreekt met de naam: Ik zal er zijn voor jou, temidden van alles. Van heel die grootsheid van aarde, zee, licht, hoogte en diepte, zal ik er zijn voor jou, en heb jij daar je plek in, hoe dan ook, wat er ook gebeurt. Het is de ervaring hoe je je soms nietig in alle grootsheid, en toch geborgen en gekend kunt voelen. Een beweging van afstand en dichtbij komen tegelijk.
Is het voor Job voldoende, dit antwoord? Na al zijn eindeloze bonzen op de deuren van de hemel, na al zijn vragen, na al zijn roepen om God, is dit waar hij mee verder kan? Want het lost uiteindelijk niets op, het verandert niets aan zijn omstandigheden, de vragen blijven ongetwijfeld bestaan. Is het iets waar je zelf mee verder kan, als je je verwant voelt aan Job? Houd je het ermee vol? Is het iets van troost?

Het zijn vragen die een ieder voor zichzelf moet beantwoorden en doorleven en tegelijkertijd mogen we ons optrekken aan verhalen van mensen die ons laten merken dat het kan, overeind blijven mét God na alles wat je kan overkomen, overeind blijven of weer overeind komen met alle vragen die er blijven, en toch deze wereld, de plek waar je zelf leeft niet als godverlaten ervaren. Professor Miskotte schreef heel mooi:

 Zo vindt een mens geen oplossing der vragen maar een verlossing uit zijn vragen, uit wanhoop en donkere eenzaamheid, een verlossing ook uit de beperktheid van de menselijke antwoorden.

Zou zoiets gebeuren met Job? Dat aan al zijn vragen en zoeken naar God, naar inzicht, naar zin en samenhang in het lijden dat daaraan uiteindelijk een einde komt, dat er een grens wordt getrokken. En dan niet als een dooddoener, zo van: je komt er toch nooit achter, je krijgt er toch geen antwoord op, dus begin er maar niet aan. Nee, het proces, de weg die Job vooraf is gegaan hoort erbij, is noodzakelijk. God er met de haren bij slepen, en net zo lang roepen tot God tot je "antwoord" vindt. Maar misschien is dat antwoord vooral wel dat je op een dag ook mag ophouden met vragen, denken, doorgronden, zoeken dat je vragen mogen blijven bestaan bij Iemand die zegt: Ik zal er zijn, ik zal al je vragen en al je verdriet en pijn bewaren.

Amen