Logo van de kerk

overweging in 2018 op 15 april

Overweging 15 april 2018

Lezing Johannes 20: 19-31

Thomas: tastende gelovige

Ongelovig?
Wij kennen Thomas vooral als de ‘ongelovige’ Thomas. Dat hij aan het einde van het verhaal door de knieën gaat en tot een waarachtige en prachtige geloofsbelijdenis komt, dat wil maar niet blijven hangen. Als iemand twijfelt of iets niet wil aannemen, dan noemen we hem of haar al gauw een ongelovige Thomas, terwijl het maar de vraag is of de Thomas uit ons verhaal wel zo’n ongelovige is. Juist door zijn zoeken en vragen, door zijn twijfel en ommekeer zou je hem geloviger kunnen noemen dan al die andere leerlingen om hem heen, die, hoewel heel oprecht, alleen maar blij zijn om Jezus te zien, maar zich verder niet afvragen wat dat nu eigenlijk betekent. Thomas doet dat wel, hij geeft zich niet zomaar gewonnen juist daardoor komt hij uiteindelijk tot een dieper verstaan van Jezus’ opstanding dan al die anderen.

De vraag waar ik vandaag met u over na wil denken is, waar het eigenlijk om gaat als we het hebben over geloven in bijbelse zin. Wees niet langer ongelovig, maar geloof, zegt Jezus aan het einde tegen Thomas. De vraag is dan wat Jezus daar mee bedoelt, wat is geloof en wat is nu ongeloof in zijn woorden, want dat is helemaal niet zo duidelijk.

“Geloven dat ” en “geloven in ”

Als het gaat over geloof, geloven, gelovig zijn, dan blijkt vaak in de praktijk dat er twee manieren van spreken over ‘geloven’ door elkaar heen lopen, twee vormen die ik zou willen onderscheiden in “geloven dat” en “geloven in”.
Heel vaak gaat het in gesprekken van mensen over geloven dat… als je jezelf een gelovige wilt noemen, dan geloof je dat…. en dan volgt een bepaalde reeks van uitspraken die je als gelovige voor waar aan moet nemen. Als je dat niet doet, dan geloof je niet echt, dan ben je zogezegd een ongelovige. Wat dat voor uitspraken zijn, hangt vooral af van in welke hoek van de kerk je bevindt.
Om een voorbeeld te geven:
Je kunt geloven dat God de wereld in zes dagen gemaakt heeft. Je kunt ook geloven dat de wereld volgens de evolutieleer is ontstaan. Beide soorten ‘geloven’ bestaan en de aanhangers ervan proberen elkaar van hun geloof te overtuigen met argumenten en bewijzen. Dat kan een interessant gesprek opleveren of soms een heel vervelend gesprek, maar met geloven in bijbelse zin heeft het nog niet zo veel te maken.

In plaats van om geloven dat, gaat het in de Bijbel om geloven in. Om het voorbeeld van de schepping aan te halen, het gaat er in de Bijbel niet zozeer om dat God ooit de wereld geschapen heeft maar om te geloven in God als Schepper, hier en nu. Als ik zeg dat ik geloof in God als Schepper, dan zeg ik niet iets over hoe het allemaal ontstaan is of hoe het vroeger gebeurd is, maar dan spreek ik het vertrouwen en geloof uit dat deze wereld en het leven van ieder mens door God gewild en bedoeld is, met andere woorden, dat er een relatie is tussen God en deze wereld, tussen God en ieder mens en dat wij als mensen door deze relatie verantwoordelijkheid in handen hebben om goed met deze schepping en elkaar als beelddragers van God om te gaan.

Geloven dat gaat over feiten, over standpunten die je met elkaar kunt bediscussiëren, maar die ons verder niet heel persoonlijk hoeven te raken. Geloven in gaat om een relatie, om het vertrouwen hebben in een ander, een band hebben met die ander, met die ander, de Ander rekening willen houden. Anders gezegd: veel mensen geloven dat er iets is dat je God zou kunnen noemen, maar dat geloof heeft vaak weinig invloed op hun dagelijkse doen en laten, maar wie zegt in God te geloven, die vertrouwt zich aan Hem toe, die wil zijn of haar leven laten beïnvloeden door deze relatie met God en door alles wat we van God begrepen hebben over zijn liefde, rechtvaardigheid en vergevingsgezindheid.
Dat is geloven in.

Gekruisigde én Opgestane?

Zo is het ook gegroeid tussen Thomas en Jezus. Op de weg die Thomas heeft afgelegd met Hem is hij gaan geloven in Jezus. Hij heeft zijn vertrouwen in Jezus gesteld. De weg die Jezus gaat, heeft Thomas tot zijn levensweg gemaakt. De woorden die Jezus spreekt, hebben zijn leven richting gegeven en de liefde die Jezus uitstraalt is diep tot in Thomas’ hart doorgedrongen. In alles wat hij heeft meegemaakt en gezien, is Thomas er steeds meer op gaan vertrouwen, dat in deze ene mens God zelf werkzaam is en zichtbaar wordt onder mensen. Thomas’ geloof in Jezus, is steeds meer samen gaan vallen met zijn geloof in God. Zijn vertrouwen in Jezus, is zijn vertrouwen in God geworden.
Daarom is Thomas er ook zo kapot van als Jezus aan het kruis sterft. Want daarmee sterft niet alleen een geliefd mens, maar ook alles waarin Thomas geloofd heeft, met Jezus sterft ook zijn geloof in God, de relatie is verbroken.
Het kan ook ons overkomen, zoals Thomas dat overkomt. Dat door een ingrijpende gebeurtenis in ons eigen leven, of bij anderen om je heen, dat de band die je had met God voor je gevoel verbroken wordt, alles wat je van God dacht te weten, waar je op vertrouwde en waar je in geloofde, kan door bepaalde gebeurtenissen in je leven in een totaal ander licht komen te staan. Het vertrouwen is weg, de relatie is verbroken.

Maar misschien gebeurt het ons nog wel veel vaker dat die relatie met God in plaats van plotseling heel langzaam verwatert, en dat hangt heel vaak samen met twijfel over uitspraken in de categorie geloven dat… Bv. ik kan niet meer geloven dat God de hele wereld bestuurt, Ik kan niet meer geloven dat het goede én het kwade van God komt. Ik kan niet meer geloven dat er een hemel en een hel is na de dood.
Allemaal uitspraken in de categorie geloven dat… die vaak ook meteen gekoppeld worden aan het geloven in God, als ik niet meer geloof dat…, dan geloof ik ook niet meer in God, terwijl je misschien dan vooral moet zeggen dat je denken over God verandert, maar niet zozeer de relatie met God, het vertrouwen in Hem.
Soms moeten we het vooral ook durven uithouden in onze twijfel wat we over God denken te weten, zonder dat het onze band met God hoeft aan te tasten.
Thomas durft het uit te houden met de twijfel, hij heeft tegen zijn medediscipelen gezegd dat pas als hij de wonden heeft aangeraakt hij zal geloven in de Heer die is opgestaan. Wat Thomas vooral wil weten is of hij zich niet vergist heeft. Hij wil weten of Jezus de Gekruisigde dezelfde is als Jezus de Opgestane. Of degene die is opgestaan dezelfde is als op wie hij al zijn geloof en hoop had gezet vóór de dood aan het kruis, in wie hij God had herkend.

Als Thomas het heeft over de wonden van Jezus, heeft hij het denk ik ook tegelijkertijd over zijn eigen wonden, zijn eigen littekens die het leven heeft achtergelaten in hem sinds Goede Vrijdag. Een geloof waarin de littekens van het leven, die je met je meedraagt niet een plaats mogen krijgen, dat is een onwerkelijk, een te glad en vroom geloof. Dat wil Thomas niet, geen opstanding zonder de erkenning van het kruis, van de kruizen in mensenlevens. Op het kruis is zijn geloof afgeknapt en dat moet als het ware overwonnen worden, Thomas wil niet alleen geloven dat de Heer is opgestaan, maar hij wil kunnen geloven in de Opgestane Heer. Zijn relatie met Christus moet hersteld worden, daar draait het voor hem om en de enige die dat doen kan is Jezus zelf.

Het uithouden met onze twijfel leidt tot geloof

Jezus komt opnieuw en zegt: Thomas, kom hier, zie en tast. Dan pas weet Thomas dat hij zich niet heeft vergist, dat hij met recht God heeft herkend in deze ene mens en meer nog komt Thomas te weten door zijn twijfel, dat de intieme band tussen God en Jezus en zijn leerlingen, zelfs niet verbroken is door de dood, door het kruis, maar dat God zelf is meegegaan met Jezus door dood en duisternis heen en hem heeft vastgehouden met zijn liefde, met zijn trouw.
Dat is het moment waarop Thomas zich overgeeft en opnieuw werkelijk een gelovige wordt: Mijn Heer en mijn God, stamelt hij. De relatie is hersteld.
Het verhaal van Thomas vertelt ons dat waar wij onszelf soms niet meer durven toevertrouwen aan God, waar wij door de littekens van ons leven ons geloven in God, in zijn liefde hebben opgegeven, of zelfs waar we ons hebben afgekeerd van God dat God in Jezus de Opgestane ons tegemoet komt, ons ongeloof overwint en zijn relatie met ons herstelt.

Niet dat daarmee alle vragen en twijfels uit de lucht zijn, dat zal ook voor Thomas zo niet zijn geweest, die blijven er altijd wel, een geloof dat alle vragen beantwoord bestaat niet en dat hoeft zelfs ook niet. Maar die vragen en twijfels zijn niet meer allesbepalend of bedreigend. Wees niet langer ongelovig, maar geloof, zegt Jezus. Eigenlijk staat er letterlijk vertaald, wees niet langer zonder vertrouwen, maar vertrouw. Dat klinkt al heel anders. Vertrouw, ook al heb je je vragen. Vertrouw, ook al blijven er dingen die je niet kunt begrijpen.

Zo komt God ons in de Opgestane tegemoet en wij mogen Hem met ons tastende geloof beantwoorden.

Amen.