Logo van de kerk

overweging in 2017 op 5 november

Overweging 5 november 2017 - gedachtenisdienst

Lezing: fragmenten uit psalm 90 uit de vertaling van Huub Oosterhuis

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Denk je dat wij ooit afgelopen zijn?
Met die vraag begint één van de verhalen van Toon Tellegen over eekhoorn en mier.
Denk je dat wij ooit afgelopen zijn, zoals een feest is afgelopen of een reis?
En in het gesprek dat zich vervolgens ontspint laat Tellegen op eenvoudige, ontroerende wijze zien hoe onvoorstelbaar, hoe moeilijk invoelbaar dat soms is. Eekhoorn en mier, en misschien zijn wij dat zelf wel, kunnen er maar niet over uit.
Denk je er over na? vroeg de eekhoorn.
Ja, zei de mier.
En weet je het al?
Nee.

Denk je werkelijk dat wij ooit afgelopen zijn?

Je staat er de meeste dagen van je leven niet bij stil, en dat hoeft ook niet, dat kan niet, dat zou zelfs niet moeten, maar soms zijn er dagen dat het je zo maar overvalt, of dat je er niet om heen kunt: het besef dat wij voorbijgaan als mensen, dat we vergankelijk zijn, eindig, dat ooit ons leven is afgelopen. Op de dag dat een dierbare overlijdt, op de dag dat je een uitslag in het ziekenhuis krijgt die alles anders maakt, op een dag als deze misschien wel, nu we hier met z’n allen bij elkaar gekomen zijn om geliefden te gedenken. Net zozeer als het bij ons hoort dat er dagen zijn waarop het heel ver van je afstaat dat ooit jouw leven of dat van je geliefden voorbij zal zijn, net zozeer hoort het bij ons mens-zijn dat dat soms ineens heel dichtbij komt.

Het lijkt alsof we de schrijver van psalm 90 aantreffen op zo’n dag, een dag waarop hij doordrongen is geraakt van onze vergankelijkheid als mens, van onze broosheid. Allerlei beelden gebruikt hij om dat besef uit te drukken, In het licht van de eeuwigheid, zegt hij, zijn we als een droom, die oplost in de vroege morgen, we zijn als opschietend gras, dat krachtig en fris de dag begint, maar ’s avonds alweer verdord is, als een ademtocht, die er maar even is en dan alweer weg. Welk beelden je er ook voor gebruikt, ze zeggen allen hetzelfde: zo klein, zo nietig, zo tijdelijk is een mensenleven in het licht van de eeuwigheid. Het duizelt je als je het probeert voor te stellen, al die mensen die je al voorgingen, al die mensen die na je zullen komen, en het stemt misschien ook verdrietig of somber, want wat is mijn leven, het leven van onze geliefden dan waard in al zijn broosheid?

Op een dag als deze

waarop we het leven van gemiste geliefden gedenken, ervaren we hoe pijnlijk die eindigheid van ons mensen is. Pas nu leer ik wat ‘nooit meer’ betekent, vertellen mensen mij wel eens, soms jaren na een verlies, onvoorstelbaar was dat voorheen, ik leefde alsof we alle tijd hadden met elkaar, alsof alles vanzelfsprekend was. Weer iemand anders vertelt hoe je als het ware verloren raakt in de tijd, verleden, heden, toekomst, alles loopt door elkaar in zo’n periode van verlies, er is alleen maar heimwee, zei ze, heimwee naar wat was, naar de mooie dingen heimwee, ook zo vaak naar de alledaagse dingen, het kleine, het gewone, waardoor levens met elkaar verweven waren geraakt, ja, zelfs heimwee naar een toekomst die je nooit meer met elkaar heb kunnen mee maken, naar plannen die onvoltooid zijn gebleven. Hebben we de tijd die we hadden goed gebruikt, heb ik genoeg gevraagd, gezegd, hem of haar recht gedaan, heb ik mezelf genoeg laten zien? Het zijn allemaal vragen waar je na een afscheid nog lang mee bezig kunt zijn.

Maar is dat alles wat uiteindelijk gezegd kan worden over een mensenleven? Over onze doden? Dat ze niet meer zijn geweest dan ademtocht, een droom, een bloem, die bloeit en verwelkt, vergankelijk en broos. Heeft dat uiteindelijk het laatste woord?
Hoe eerlijk de psalmist ook onze broosheid onder ogen komt, voor hem is dat niet het hele verhaal, integendeel. Allereerst is het goed om te zien hoe zijn woorden niet een algemene beschouwing zijn, die hij uitspreekt over ons mens-zijn, maar hoe hij zijn woorden tot iemand spreekt, ze zijn als een gebed, als een intiem gesprek met iemand die je helemaal vertrouwt, bijna als een soort van stamelen, soms van verwondering en dan weer een uitroepen als klacht, als uiting van verdriet. Dat maakt het lezen van deze woorden al heel anders.

In de tijd na een verlies kan je leven, je basisvertrouwen zozeer op losse schroeven komen te staan, dat je niet alleen die ene verloren bent, maar dat ook de angst je om het hart slaat dat er meer mensen om je heen kunnen weg vallen, of dat je zelf het leven verliest, dat je het gevoel hebt dat er niets of niemand meer is waarop je je leven kunt bouwen,
Wat een troost kan het geven als je dat voluit aan iemand kan bekennen, aan iemand kan toevertrouwen, tot iemand kan uitroepen. Troost is dat je datgene kan zeggen wat je de keel dichtknijpt en daar horen juist bij een afscheid alle vragen naar de kwetsbaarheid van ons leven bij.
Ik zeg nooit meer ‘sterkte’ tegen iemand met verdriet, zei een vrouw uit mijn vorige gemeente, hoe zijn we daar ooit met z’n allen bij gekomen om dat te zeggen, juist in een periode dat je moet leven en leren leven met de kwetsbaarheid van een mensenleven.

Nog voor de bergen waren geboren

Voor de psalmist is God degene aan wie hij alles kan toevertrouwen en ook dat maakt alles anders. Want, zo zegt hij verwonderd, U was er altijd al, nog voor de bergen waren geboren, nog voor u aarde en land had gebaard, was U er al en zo zal u er ook altijd zijn, ons leven, hoe tijdelijk ook, wordt niet omsloten door een onpersoonlijke zee van tijd, maar door Iemand die er al was, en die er zal zijn, iemand bij wie je je gekend mag weten. Zoals een trouwe vriend, vriendin die er al was voor je verdriet, die bleef tijdens je verdriet en waarvan je weet dat ze er zal zijn daarna, iemand die je eraan herinnert dat er meer was, is en zal zijn dan het hier en nu alleen met verdriet en afscheid.

En meer nog, zegt de psalm, God is er niet alleen, God is ook dichtbij het sterven van een mens, God is nooit ver weg als we iemand uit handen moeten geven, sterven is nooit zomaar sterven maar terugkeren, zo vertelt de psalm ons, gaan, naar waar je vandaan komt, thuiskomen. U doet de sterveling terugkeren tot stof, en zegt: Keer terug, mensenkind. Sterven is uiteindelijk terugkeren, Uitkomen bij God.
Het mooist is dat besef, naar mijn idee verwoord, in dat gedicht van Rilke dat we hebben gelezen, Sterven is uiteindelijk terugkeren naar God, of vallen in Gods hand, zoals hij het zegt. Net als de psalm laat Rilke zich met het aanschouwen van de vallende bladeren onderdompelen in de vergankelijkheid van ons bestaan, alles valt, zegt hij, de bladeren, als vielen ze uit de hemel, de zware aarde die de donkere nacht in valt, ja, zelfs de hand waarmee deze woorden worden geschreven zal eens vallen.

En toch, Eén is er die al dit vallen oneindig zacht in handen houdt.

Dat is een zin van hoop, van troost, van verlangen en vertrouwen. De oneindige zachtheid, die zachte oneindigheid bij God die ons niet zomaar laat vallen, die ons niet zomaar laat verdwijnen als een droom, een ademtocht, een bloem, maar die ons in zijn handen houdt.
Het deed me denken aan een verhaal dat Henri Nouwen vertelde in één van zijn boeken, met de treffende titel ‘Met de dood voor ogen’. Het gaat over zijn fascinatie voor de trapeze act in het circus en over hoe hij op een gegeven moment een gesprek heeft met de leider van de trapezewerkers, Rodleigh genaamd:
“Jij denkt misschien, zei deze Rodleigh tegen Nouwen, dat ik de grote ster ben van de trapeze. Maar de echte ster is Joe, die me vangt. Hij moet me op het exacte moment uit de lucht plukken als ik mijn verre sprong naar hem maak”. “Hoe lukt dat?” vroeg ik. “Het geheim is, zei Rodleigh, dat ik het vangen geheel aan Joe overlaat en zelf niets doe. Als ik na mijn salto’s op Joe afkom, moet ik gewoon mijn armen en handen uitstrekken en wachten tot hij me vangt. “Dus jij doet niets!” zei ik verbaasd. “Niets”, herhaalde Rodleigh. “Het ergste wat een springer kan doen is proberen de vanger te vangen. Als ik Joe’s polsen zou vastgrijpen, zou ik ze kunnen breken, of hij zou de mijne kunnen breken. Dat zou het einde zijn voor ons beiden. Een springer moet springen en een vanger vangen, en de springer moet met uitgestrekte armen en open handen erop vertrouwen dat zijn vanger er zal zijn”.
En Nouwen voegt eraan toe: Om dingen te kunnen wagen, om vrij te zijn, in de lucht, in het leven, moeten we weten dat er een Vanger is. We moeten weten dat we, wanneer we dan van alles terugkeren, opgevangen zullen worden, dat we veilig zullen zijn.

Een is er die al dit vallen oneindig zacht in handen houdt.
In dat vertrouwen ontsteken wij het licht voor hen die ons dierbaar zijn.

Amen