Logo van de kerk

overweging in 2017 op 26 maart

Overweging 26 maart 2017

Lezing Zacharia 8: 1 -9a

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Er zit een oude man op een bankje,  hij geniet van de eerste voorjaarszon die hem verwarmt. Zijn kleinzoon trapt verderop even een balletje. Zijn vrouw komt er in de verte ook al aan. Ze was wat achterop geraakt, ze was even gaan zitten op haar rollator  en ondertussen maakt ze een praatje met de moeder die net haar kleintje uit de maxicosi haalt. De man kijkt verder over het plein. Hij ziet een hele groep kinderen tikkertje spelen, de eerste jassen liggen her en der al uitgetrokken op de grond. Twee meisjes aan de rand gaan liever wat kletsen. Hij ziet zijn buurvrouw van verderop lopen, het gaat niet meer zo hard, ze leunt op haar stok en manoeuvreert zich voorzichtig door al die krioelende en spelende kinderen. Hoe oud was ze nu laatst ook alweer geworden? 80? 90? Inmiddels is zijn vrouw bij het bankje aangekomen, ze zet haar rollator ernaast en ploft naast hem neer. Zo, die zit. Ze kijken elkaar even aan en glimlachen, zo is het goed.

Het vergezicht van Zacharia…in onze wereld?

Zo’n soort beeld schetst de profeet Zacharia als hij zegt:
Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten,
steunend op hun stok, vanwege hun hoge leeftijd
en de straten zullen krioelen van spelende kinderen.

Hoeveel mensen in deze wereld zouden hier naar verlangen? Voor hoeveel pleinen in deze wereld lijkt wat Zacharia hier schetst niet een onmogelijk vergezicht, of slechts een vage herinnering uit een ver verleden. Een plein vol van spelende jongens en meisjes, mensen op hoge leeftijd aan de rand, steunend op hun stok, even een praatje maken, een beetje kijken, genieten van de zon en van het jonge spul.
Zouden de mensen van Aleppo het nog weten dat hun pleinen daar ooit voor bedoeld waren, of de mensen van Bagdad, of de mensen die wonen aan pleintjes in buurten waar opgeschoten jongeren de speeltuin bezet houden en waar je kleine kinderen liever binnenhoudt?

Hoeveel mensen in deze wereld zouden er niet naar verlangen? Want vanzelfsprekend is het blijkbaar niet, dit beeld van spelende kinderen en ouderen op het plein. Ook voor de Israelieten niet die deze woorden van Zacharia ooit als eersten hoorden. Het nieuws herinnert ons er telkens weer aan dat het zomaar anders kan zijn, dat die open ruimte, of het nu een plein in kerstsfeer is of een brug, ineens de plek kan zijn waar een auto, een vrachtauto in volle vaart overheen rijdt. Het nieuws herinnert ons er telkens weer aan, dat een marktplein ook altijd een plek is waar er maar één iemand tussen hoeft te zitten met kwade bedoelingen, ook op de vele pleinen van Jeruzalem. Het nieuws herinnert ons er telkens weer aan dat er altijd pleintjes zijn, die je ’s avonds beter kunt mijden.

En toch…
Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten,
steunend op hun stok, vanwege hun hoge leeftijd
en de straten zullen krioelen van spelende kinderen.

Droom en werkelijkheid

Het is alsof Zacharia het ongeloof op de gezichten van zijn luisteraars ziet, op onze gezichten misschien ook. Je ziet het ze denken, ja, jij kunt het mooi vertellen, profeet. Hij gaat daar ook op in:
Ook al lijkt het jullie,
die van dit volk nog over zijn, nu nog onmogelijk,
waarom zou het voor God onmogelijk zijn?

Ja, waarom zou het voor God onmogelijk zijn? Waarom hadden de luisteraars van Zacharia zo’n moeite om het te geloven? Ze hadden andere beelden op hun netvlies gebrand. Beelden van een verwoeste stad, beelden van het leger van Babylon die hun stad was binnengetrokken en een groot deel van de bevolking had weggevoerd, beelden van die stad van God, die stad van vrede, die veranderd was in een oorlogstoneel. Bij andere profeten hoor je hoe dat eruit heeft moeten zien. Jeremia klaagt:
De dood is door onze vensters binnengeklommen,
hij is onze paleizen binnengedrongen.
Hij maait de kinderen neer in de straten,
roeit de jeugd uit op de pleinen.

Deze beelden staan sterker gegrift in het geheugen van de Israelieten, dan de woorden van Zacharia, ook nu ze na tientallen jaren eindelijk weer zijn teruggekeerd naar Jeruzalem. Toen ze in ballingschap waren, droomden ze ervan terug te keren, maar nu ze daadwerkelijk weer thuis zijn in Jeruzalem valt het hen niet mee. Ze zijn maar met weinig, de tempel is verwoest en de muren bieden nauwelijks enige bescherming, en de nieuwe machthebber van wie ze zoveel gehoopt hadden, de Perzen die de Babyloniers van hun machtige troon hebben gestoten, ach, het is eigenlijk weer van hetzelfde laken en pak. Ze mochten wel naar huis terugkeren, maar eigenlijk zijn ze nog net zo gevangen als voorheen. Ze zijn wel in de stad van God en in het beloofde land, maar het lijkt er allerminst op.
De teruggekeerde ballingen, ze laten de schouders zakken, ze zijn de moed aan het verliezen. Het is alsof je een droom achterna jaagt, maar dat de werkelijkheid een stuk weerbarstiger blijkt te zijn. Ik denk maar even aan die mensen uit tv-programma’s die vol goede moed naar elders vertrekken om hun droom te verwezenlijken, een bed and breakfast, een camping, een hotel etc., maar eenmaal aangekomen op de plek van bestemming valt het allemaal nogal tegen, de taal, de wetgeving, de mensen die niet meewerken, die niet doen wat jij van ze vraagt, het blijkt ineens een stuk lastiger om de droom die je voor ogen had vast te houden. Op zo’n punt bevinden de teruggekeerde ballingen in Jeruzalem zich. Hun verlangen, hun dromen, Gods dromen, het strandt allemaal in de harde realiteit, het hapert en loopt vast.

Maar dan komt daar die profeet met die woorden van God. Midden op één van die verwoeste pleinen van Jeruzalem gaat hij op een hoop stenen staan en spreekt de mensen toe:
Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten,
steunend op hun stok, vanwege hun hoge leeftijd
en de straten zullen krioelen van spelende kinderen.
Dit zegt de Heer van de hemelse machten:
ook al lijkt het jullie, die van dit volk nog over zijn nu onmogelijk,
waarom zou het voor mij onmogelijk zijn?

Zou er iets voor de Heer onmogelijk zijn, iets te wonderlijk? Het is gemakkelijk om die vraag met  ‘ja’ te beantwoorden en te wijzen naar al die pleinen en pleintjes van deze wereld waar het maar niet wil lukken, waar dit visioen maar niet waar wil worden. Het zou gemakkelijker zijn je schouders op te halen over die woorden van Zacharia, stel je voor dat ze iets zouden aanwakkeren waar je de hoop allang voor verloren hebt, waar je de moed allang niet meer voor hebt. Merkt u ook tot uw eigen ontzetting  dat sommige berichten hoe vreselijk ook soms al lijken te wennen, dat je er minder van opkijkt dan de eerste keer dat je het hoorde. En die nieuwe regering, ach, zei mijn kapster laatst, ze doen het toch meer om te winnen, dan om werkelijk iets voor de gewone mensen te doen. Je kunt maar beter voor je eigen pleintje, je eigen plek zorgen, want er is niemand anders die het voor je doet.

Niet alleen Zacharia, maar ook…

Maar Zacharia is vasthoudend, hij is nog maar nauwelijks uitgesproken of hij vertelt een hoofdstuk later over iemand die komen zal naar Jeruzalem en die koning genoemd zal worden, ook al rijdt hij op een ezel de stad binnen en gaat hij de weg van de eenvoud en vrede. Ook hij zal dezelfde dromen dromen als ik, waarschuwt Zacharia, hij zal nog veel verder gaan dan ik, tot het uiterste. Ook al schuif je mijn woorden terzijde, ook hij zal je opnieuw vertellen van kinderen die bij Hem mogen komen, van zachtmoedigen die het land zullen bezitten, van nederigen voor wie het koninkrijk is.
Ook hij zal zeggen:
ook al lijkt het jullie onmogelijk,
zou het voor mijn Vader onmogelijk zijn?

Het is alsof de woorden van Zacharia, van Jezus ons willen verleiden, uitnodigen om op zijn minst dan die vraag maar eens open te houden, om niet cynisch te worden, om je niet alleen te laten leiden door de werkelijkheid van wat je ziet om je heen, wat je hoort. Om niet te berusten, om meer mogelijkheden te zien dan wat je zelf voor mogelijk acht, omdat er telkens Iemand is die meer dromen heeft voor ons en onze wereld, dan wat zich allemaal voor onze ogen voltrekt.

Nu jullie deze woorden hebben gehoord, zo wordt er gezegd tegen de teruggekeerde ballingen in Jeruzalem, nu jullie deze woorden hebben gehoord over spelende kinderen en ouderen steunend op hun stok, op het plein waar jullie nu staan, nu komt het aan op volhouden, volhouden van waar je aan begonnen bent, volhouden en vasthouden aan de droom waarmee je hier bent gekomen, geef de moed niet op en houd vol, staat er even later nog.

Volhouden

Twee dingen lijken Zacharia daar bij te helpen, om het vol te houden, om de moed niet te verliezen, twee dingen komen telkens weer terug. Telkens weer moedigt hij de mensen van Jeruzalem aan om de tempel op te bouwen. Dat is het eerste en het belangrijkste, niet hun eigen huizen, niet de stadsmuren om zich achter te verschansen, maar de tempel opbouwen, als de plek waar God gezocht en gevonden kan worden. Waar je telkens weer eraan wordt herinnerd dat er meer is dan het hier en nu alleen, dan jij en jouw leven, jouw geluk alleen. Dat er een plek is waar dromen, vergezichten, visioenen bewaard worden die onszelf en onze tijd alleen overstijgen, dat er een plek is waar je gestoord wordt in je berusting over dat het gaat zoals het gaat, dat er een plek is die je eraan herinnert dat er meer mogelijk is, dan dat jijzelf alleen voor elkaar krijgt, wij mensen voor elkaar krijgen. Of de kerk van alle tijden en plaatsen, of onze kerkgemeenschap altijd zo’n plek is, of is geweest, ik weet dat natuurlijk niet, maar je hoopt het wel. Dat het een plek is waardoor je het volhoudt, dat het een plek is waar je weer moed krijgt, hoop, of dat nu voor je eigen leven geldt, of voor alles wat er zich afspeelt in de wereld om je heen. Als er niet meer zo’n plek is, dan raken we opgesloten in onszelf, in onze wereld alleen, in alles wat we alleen zelf mogelijk achten.

En het andere waardoor Zacharia het volhoudt, dat zit in zijn eigen naam. Zacharia, dat betekent: God heeft aan ons gedacht, God gedenkt, God denkt aan je. God vergeet je niet, in welke situatie dan ook, hoe hopeloos het ook lijkt. Doe dit tot mijn gedachtenis, zegt Jezus tegen zijn vrienden, tegen ons.
Gedenken, dat is waardoor het verleden het hier en nu anders voor je wordt, waardoor je weer toekomst ziet. Doe dit tot mijn gedachtenis, brood en wijn delen, denk aan mij, gedenk mij zodat je voor het hier en nu weer moed krijgt, je er weer heil in ziet, in alles wat ik je verteld, gezegd en voor je gedaan heb.
Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten,
steunend op hun stok, vanwege hun hoge leeftijd
en de straten zullen krioelen van spelende kinderen.

Deze week stond er in de veertigdagenkalender…
Die visioenen…ze voeden de ziel en sterken het hart.
Ze geven hoop als we de wanhoop nabij zijn,
moed als we het leven moe zijn,
vertrouwen als wantrouwen voor de hand ligt.
Zonder deze visioenen verslapt wat we ten diepste nastreven
en wat ons kracht geeft om tegenslagen te incasseren
en hindernissen te overwinnen...

Dat de woorden van Zacharia, het delen van brood en wijn in Jezus’ naam zo in ons mag uitwerken,

Amen.