Logo van de kerk

overweging in 2017 op 2 april

Overweging in 2017 op 2 april

Lezing Johannes 11: 1-46

Inleidende woorden

Na de roze zondag van vorige week, zondag Laetare, wees blij, maken we nu de laatste afslag op onze weg naar Pasen, het einde is in zicht, zou je kunnen zeggen, in de dubbele zin van het woord en dat is vandaag ook te merken in de Schriftlezing. We lezen vandaag een verhaal dat de overgang vormt naar het gevangen nemen van Jezus en alles wat daarop volgt en dat verhaal is de opwekking van Lazarus, een vriend van Jezus, iemand die hij liefhad, samen met zijn zussen.
Een verhaal dat ons eigenlijk al heel dicht bij de kern van Pasen brengt. Hoe denk je na over leven, over dood, en als je dat moet rijmen met geloven en met God, wat is dan onze diepste overtuiging, waar vallen we uiteindelijk op terug, of niet, als we staan bij een graf?

Overweging

Alweer een hele tijd geleden zag ik eens een interview met Paul Witteman, ik denk dat het bij Adieu God was, met Tijs van der Brink. Witteman vertelde over zijn leven, over zijn overtuigingen en wat hem bezig hield en één onderwerp wat telkens terugkwam in het gesprek was de dood. Hij had in zijn leven nogal wat mensen vroegtijdig verloren aan de dood, en hij kon daar maar niet over uit. Hij vertelde hoe woedend hij telkens was geweest en nog was als dat gebeurde. Wat is dat toch voor een iets, zei hij, die dood, wie heeft dat ooit bedacht, waar is dat ooit ergens goed voor, het is net alsof je een leuk feestje hebt en dat het dan ineens pats boem is afgelopen.

Ik vond dat toen een heel bijzonder fragment, aan de ene kant bevreemdde mij die reactie van Paul Witteman, zo’n ontwikkelde, intelligente man, zo’n rationeel iemand en dan toch zo’n houding ten opzichte van de dood. Je zou je ook kunnen voorstellen dat hij juist door de loop van het leven had geleerd, of was gaan accepteren dat de dood er nu eenmaal bij hoort, maar niets van dat alles, je kon merken dat hij er nog steeds woedend om was.
En aan de andere kant raakte zijn houding mij ook, het was tegelijkertijd heel authentiek en oprecht, het was zo’n puur verzet, zo’n pure woede tegen zoiets onbestaanbaars als de dood en ik dacht: dat doet de impact van de dood, de dood zelf en hoe je daar telkens weer tegen aan loopt als mens ook alleen maar recht. Uiteindelijk verloor Witteman, zoals hij zelf zei, zijn geloof erom, als het gaat om troost in die dagen, zei hij, dan vond ik die juist niet bij degene die de kerk of het geloof vertegenwoordigden.
Hoe zou het voor Witteman zijn geweest als iemand hem toen had gewezen op het verhaal van vanmorgen, hoe zou het voor hem zijn geweest als hij gezien had, gelezen hoe ook Jezus door een grote woede bevangen wordt als hij staat bij het graf van een vriend, die te jong gestorven is. Tot tweemaal toe wordt het genoemd, woedend tot in het diepste van hem, was het u ook opgevallen bij het horen van het verhaal, en ook hoe Jezus vervolgens helemaal in verwarring is, en in tranen uitbreekt.

Mocht je ergens nog het beeld hebben

van een Jezus die onaangedaan en souverein zijn weg gaat onder mensen,
de weg die God voor hem heeft uitgestippeld, waarbij hij alles vooraf al weet, dan haalt dit verhaal dat beeld wel helemaal onderuit. Juist in het Johannes-evangelie, waar Jezus vooral in zijn gestalte van Zoon van God naar voren komt, juist in dit evangelie komen we Jezus als nergens anders zo dichtbij, zo menselijk tegen in het verhaal over de dood van een vriend. Alsof alles wegvalt, ook bij Jezus, in het aangezicht van de dood. Dit is de angel, de dood die alles anders maakt.

Maar voordat we op dit punt aanbelanden wordt er eerst een lange weg afgelegd, een weg met heel veel vragen, verwarring, verwijten, onbegrip en daartussendoor ook woorden die tot nadenken stemmen over dood, over leven, over hoe je dat kunt rijmen in relatie tot geloven, tot Jezus, tot God. Het is alsof de lange aanloop in het verhaal recht doet aan de worsteling, aan de zoektocht die je moet als mens wel moet gaan in het omgaan met de dood, ook of juist als je gelooft. Soms wordt er wel eens de indruk gewekt dat voor wie gelooft de dood geen struikelblok is, geen obstakel, of dat niet zou moeten zijn. Maar dit verhaal verbeeldt alleen al in haar vorm, dat je ook in je geloven, dat ook het evangelie niet zomaar klaar is met de dood, dat daar geen mooie, gladstrijkende woorden voor zijn, geen pasklare antwoorden, geen goedkope troost.
En tegelijkertijd lijkt dit verhaal degene die met de dood te maken hebben ook te tarten, omdat het onomkeerbare, het definitieve van de dood waar wij mee moeten leven, in het verhaal anders afloopt, daarom is het niet een gemakkelijk verhaal.

Het vraagt wat van je

Als Lazarus ziek is, wordt Jezus erbij geroepen door zijn zussen, maar hij komt niet, althans niet meteen, hij wacht, hij talmt, hij stelt uit. Voordat we daar een al te snel oordeel over vellen, moeten we misschien eerst zeggen… Het vraagt wat van je als mens om een huis binnen te stappen, waar de dood dichtbij is of al is binnengetreden. Hoe je dat soms maar aan het uitstellen bent, hoe je zoekt naar woorden die je wilt zeggen, terwijl je eigenlijk helemaal niet weet wat je moet zeggen. Het omlopen in de gangpaden van de supermarkt, even de schrik als je iemand ziet die net een dierbare verloren is, we herkennen het, denk ik, allemaal wel en toch overkomt het ons ook telkens weer. Het vraagt wat van je als mens om af te stappen op een huis, een situatie, of iemand die met de dood te maken heeft. Iemand vertelde eens hoe een buurman na het overlijden van zijn vrouw op hem was afgestapt met de woorden: ik weet eigenlijk helemaal niet wat ik moet zeggen. Maar dat is het beste wat je kunt zeggen, had diegene toen gezegd.

Deze ziekte loopt niet uit op de dood, zegt Jezus, als hij het nieuws van Lazarus hoort, en…het is goed dat ik er niet ben geweest, opdat jullie tot geloof zullen komen… en… ik ga erheen om hem uit zijn slaap te trekken. Deze redenen, als je dat zo al kunt noemen, haalt Jezus aan als verklaring waarom hij niet meteen naar Lazarus toe gaat. Jezus doet het hier voorkomen alsof er een verborgen bedoeling achter de loop der gebeurtenissen zit, achter zijn handelen, iets wat zijn leerlingen om hem heen nog niet zien. Hier op dit punt in het verhaal, is Jezus voluit Zoon van God, dat is het beeld dat eruit spreekt. Hier is hij degene die in al zijn goddelijke wijsheid al in het vooruit weet wat er komen gaat, die een dieperliggende bedoeling ziet, en óók: als iemand die niet gevangen is, die zich niet overgeleverd of machteloos voelt tegenover de macht van ziekte of van dood, alsof hij daarboven staat, daar vrijer, bevrijder, machtiger tegenover staat.

Jezus, zoon van God

Hier is Jezus voluit Zoon van God, maar we weten al dat hoe dichter bij zich naar het graf toe beweegt hoe meer Hij zoon van mensen wordt, één van ons, net als wij. Alsof Jezus in de loop van het verhaal een ontwikkeling doormaakt.
Ergens is dit ook wel weer herkenbaar, ook in ons eigen omgaan met de dood. Hoe je, hoe verder je er vanaf staat, hoe meer je je vast kunt houden aan verklarende woorden, aan een theorie, een idee over de dood, zoals: het hoort er gewoon bij, je moet ermee leren leven, het is een lot dat ons allemaal wacht. Voor sommige mensen is het een uitkomst, het is beter zo, en meer van dat soort algemeenheden, maar hoe dichter het bij je eigen leven komt, hoe spannender het wordt in hoeverre die woorden nu daadwerkelijk standhouden, waar blijken te zijn, of meer nog, troost bieden, houvast.

Nergens, behalve misschien bij zijn eigen dood, wordt Jezus zo direct met de dood geconfronteerd als bij de dood van Lazarus, een mens die hij liefhad. Houden de woorden het, die hij zelf gesproken heeft over leven en dood, die hij de mensen heeft voorgehouden, en waar hij zelf mee geleefd heeft, houdt het geloof het, waar hij straks zelf houvast aan hoopt te ontlenen? Houdt hij zelf stand voor het aangezicht van de dood?
Ergens zoeken die zussen van Lazarus Jezus juist om zijn zoon van God zijn, tegelijkertijd lijken ze teleurgesteld in wat ze van Hem hadden verwacht. Als u hier was geweest, Heer, dan was onze broer niet gestorven. Beide komen ze bij Jezus met dit verwijt, of verdriet, of deze constatering, net hoe je dat leest.

Wat als…

Het zijn de vragen waarmee je soms na een overlijden nog lang mee rond kunt lopen, wat als we nu eerder hadden ingezien hoe erg het was, wat als ik dat ene net even anders had gedaan, wat als hij of zij toch voor die behandeling was gegaan, wat als ik eerder me beseft had dat dit echt het afscheid was. Wat als…maar ook: waarom?

Maria lijkt teveel in verdriet gehuld om werkelijk Jezus’ te ontmoeten, maar Marta gaat het gesprek met hem aan, ook al uit ze haar teleurstelling in Jezus dat hij er niet was toen Lazarus zo ziek was. Ook nu nog lijkt ze een mogelijkheid open te houden, nu Lazarus gestorven is, nl. dat Jezus meer te zeggen, te doen heeft in deze situatie op leven en dood. Aan de ene kant benoemt ze het onomkeerbare, het definitieve, haar broer die gestorven is, aan de andere kant zegt ze: Ook nu weet ik: wat u God ook zou vragen, God zal het u geven.
Alsof ze zegt: ik kan niet, of nog niet geloven dat deze dood het laatste woord heeft, dat hiermee alles gezegd is.
Jezus zegt dan tot haar, wie gelooft in mij zal leven, ook als hij sterft. En al wie leeft en gelooft in mij, zal niet sterven tot in de eeuwigheid.

Als dit verhaal op ons een of andere manier verder kan helpen in ons denken over leven en sterven, over hoe we dat kunnen rijmen met geloven, met God en alles waarop we hopen door Pasen, dan moeten we dat volgens mij zoeken in deze woorden. Deze woorden die zo paradoxaal, zo tegenstrijdig zijn, maar tegelijkertijd daardoor iets lijken uit te drukken van: leven is niet zomaar leven, dood is niet zomaar dood, daarmee is niet alles gezegd, het is alsof Jezus er een verborgen dimensie aan toevoegt, een andere werkelijkheid. Alsof er ruimte ontstaat in die begrippen van leven en dood, en dat heeft ook te maken met wie zich verbindt met hem, Christus. Jezus voegt zichzelf toe als verbinding tussen leven en dood.

Wie gelooft in mij zal leven, ook als hij sterft,

Met andere woorden, de gestorven gelovige, die leeft en dan leven in een andere betekenis dan alleen het natuurlijke leven. En al wie leeft en gelooft in mij, die zal niet sterven tot in de eeuwigheid. En dan sterven in een andere betekenis dan dat je als gelovige een heel lang leven tegemoet gaat, in het hiernumaals of het hiernamaals. Alsof Jezus wil zeggen dat wie in Hem gelooft, dat diegene niet onsterfelijk is, maar ergens wel anders komt te staan tegenover de macht van de dood, dat er ergens een diep weten is dat het leven, jouw leven of van degene die je lief is nooit helemaal gevangen is in die macht van de dood, nooit helemaal in de greep is daarvan, ook al verzacht dat op geen enkele manier de hardheid waarmee het leven zoals we dat kennen soms wordt afgebroken, soms veel te vroeg of met veel teveel lijden, of met veel teveel verdriet.

Geloof je dat? vraagt Jezus aan Marta. Houdt dat vertrouwen stand, als je dicht bij een graf komt, als de dood in je leven inbreekt, als je een dierbare moet missen. Blijft het waar voor je als je een weg door de diepte moet gaan, dat is: een weg die je alleen zelf kunt gaan.
Maar misschien gaat daarom het verhaal van vanmorgen wel zoals het gaat, dat Jezus met ons helemaal die weg afloopt, van het uit handen moeten geven van een dierbare, met alle woede, met alle verwarring en het diepe verdriet dat daarbij hoort. Aan het begin van het verhaal is Hij voluit Zoon van God, maar hoe dichter hij bij het graf komt hoe meer hij zoon van mensen wordt, een van ons. En ergens komen die twee gestaltes samen in dat slot van het verhaal, in hoe Jezus, Christus alleen, hoe Hij alleen met gezag kan zeggen: hef dat steenblok op haal weg die steen van verdriet, van dood, van ellende, laat dat niet het laatste woord zijn dat gesproken wordt, dat macht heeft, maar geef het leven, het licht doorgang, de ruimte.

Hef dat steenblok op

Toen ik afgelopen dinsdag vroeg tijdens de voorbereiding: over welk vers, welke zin, welk beeld zou je zelf willen preken, noemde één van de deelnemers deze woorden: Hef dat steenblok op, daar zit eigenlijk alles in, in dat beeld. Dat er Iemand is die deze woorden met gezag over ons leven uitspreekt, dat er een macht van leven, liefde en licht die sterker is dan dat steenblok, dat soms zo zwaar op ons leven rust. En ook, Jezus die met grote stem roept: Lazarus, hierheen, naar buiten. Dat er Iemand is die ons bij onze naam noemt, ook voorbij de grens van de dood, die ons wegroept uit het donkere graf.

Het verhaal, het slot is de verbeelding van die woorden die zich eigenlijk niet laten verbeelden, Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, En al wie leeft en gelooft, zal niet sterven tot in eeuwigheid. Geloof je dat?
Het wonderlijke is dat het verhaal daarmee ook abrupt eindigt, er volgt geen reactie meer van Lazarus, geen reactie meer van zijn zussen, geen reactie meer van zijn leerlingen en wat dit alles met hen gedaan heeft of met Jezus zelf.
Alleen horen we nog de reactie van de omstanders, hoe sommigen tot geloof komen en hoe anderen afhaken en naar de Farizeeërs gaan. Vaak als een verhaal zo open eindigt, dan is dat de uitnodiging van het evangelieom je eigen naam erbij in te vullen, dan ben jij degene die onder de omstanders staat en waar sta je dan, wat doe je dan? Kom je tot geloof, of haak je af? Misschien zijn dit ook wel de enige twee opties die er zijn, een tussenweg is er blijkbaar niet, als het gaat om leven of dood. Dit is de angel.

Of je gelooft, of je haakt af.
Of je gaat met Jezus verder op weg,
Of je keert je van Hem af,
Een tussenweg is er blijkbaar niet,
Het is het één of het ander.

Amen