Logo van de kerk

overweging in 2017 op 19 november

Overweging in 2017 op 19 november

Lezing Genesis 18: 22-33 (en op de achtergrond Mattheus 25)

God is mens geworden

God is mens geworden. Dat is de ongedachte, unieke verkondiging van het evangelie, zoals we dat over een paar weken weer met kerst zullen vieren. God is mens geworden, zo dichtbij komt God bij ons. Zonder daar ook maar iets aan af te doen, zijn er ook in de Torah al verhalen, waarin God adembenemend dichtbij en kwetsbaar optrekt met mensen, zoals Hij bij Noach zachtjes de deur van de ark achter hem sluit, of zoals Hij wandelt met Henoch, of zoals Hij Mozes zelf begraaft. Maar vooral misschien wel in ons verhaal van vandaag, zoals Hij hier vanmorgen Abraham opzoekt, zoals iemand een goede vriend opzoekt, wanneer je ergens mee loopt te tobben. Heeft God hulp nodig, was de vraag aan de kinderen En het lijkt bijna wel of dat in die ontmoeting vanmorgen met Abraham het geval is, zo kwetsbaar maakt God zich, zo zeer doet het er toe wat Abraham, zijn vriend hem te zeggen heeft.
Zou ik voor Abraham geheim houden wat ik van plan ben? vraagt God zichzelf af. Kan ik voor hem na de belofte van leven en toekomst, die hij net ontvangen heeft, datgene verzwijgen wat daarmee zo in contrast staat?
En hier komt het meteen al aan op goed luisteren, want God is niet, zoals je gemakkelijk zou kunnen denken, van meet af aan al van plan Sodom en Gomorra te verwoesten, maar Hij is van plan te onderzoeken of wat hij gehoord heeft gegrond is, of zij de verwoesting over zichzelf hebben afgeroepen, zoals er staat.

De twee gaan op weg, maar de Heer draalt, Je ziet het voor je hoe hij en Abraham nog even achterblijven. In het pastoraat noem je dat het gesprek op de drempel, dat juist in het weggaan datgene wat iemand echt op het hart heeft ter sprake komt. Alsof je dan pas de moed vindt.
Abraham zet een stap dichterbij, hij ‘nadert’ en staat daar voor ” het aanschijn van de Ene”, zoals de Naardense Bijbel zo mooi vertaalt, er klinkt ontzag én vertrouwelijkheid tegelijk in door. En dan begint het gesprek. Abraham neemt het woord, alsof hij God op weg moet helpen.
Wilt u dan behalve de schuldigen ook de onschuldigen het leven benemen, zo opent Abraham het gesprek en zijn redenering komt ons bekend voor en ook rechtvaardig, namelijk dat het niet eerlijk is dat de onschuldigen onder de schuldigen, de goeden onder de kwaden zouden lijden. Daar kun je je iets bij voorstellen. Maar dan zet Abraham nog een stap verder, hij draait het om en vraagt: zou je de stad niet vergeving schenken omwille van die vijftig rechtvaardigen die misschien wel te vinden zijn? Dus niet, laat de goeden niet onder de kwaden lijden, maar laat toch de kwaden profiteren, gered worden omwille van de goeden! Want zo bent U, zo redt U, zo bent U altijd op weg gegaan met deze wereld, met ons mensen. Als U anders zou doen dan dat, dat past toch op geen enkele manier bij U? Abraham herinnert God aan wie Hij ten diepste is, hoe God meer uit is op barmhartigheid dan oordeel, meer uit op leven dan dood, meer uit is op zegen dan vloek.

Tsaddik Nistarim

Er is een zeer oud Joods verhaal dat vertelt over dat er 36 rechtvaardigen zijn in deze wereld die alle zorgen en ellende van de wereld op zich nemen, en zo lang deze rechtvaardigen er zijn, kan het kwaad nooit helemaal zijn gang gaan. Wie deze rechtvaardigen zijn weet niemand, vaak weten ze het van zichzelf niet eens, of heeft hun omgeving slechts vermoedens, maar zolang deze 36 er zijn, verliest God de moed niet met ons en onze wereld.
Het doet mij denken aan hoe het tot troost kan zijn dat in de kloosters altijd het gebed, de lofzang gaande wordt gehouden. Hoe zeer deze wereld God soms lijkt te vergeten, afdwaalt van wat menselijk, rechtvaardig of goed, hoe zeer je zelf soms ook God vergeet in de drukte van je bestaan, dan kan het tot troost zijn dat er ergens een plek is waar het gebed altijd door blijft gaan, waar er mensen zijn die daaraan zijn toegewijd.
Laat toch de zegen van de goeden afstralen op de kwaden, de hoop van de rechtvaardige op de onrechtvaardigen, daartoe probeert Abraham God te bewegen en zodra hij merkt dat God daar gevoelig voor is, beginnen de onderhandelingen. Eerst vijftig, akkoord, maar als het er nu vijf minder zijn. Je hoort God bijna glimlachen, Hij rekent zelf voor Abraham uit hoeveel er nog overblijven, ja, ook met 45 zal de stad worden gespaard. Nog één keer een sprong van vijf om af te tasten, maar dan gaat het met sprongen van tien naar beneden.

Onze hulp is in de naam van…

Wat vertelt dat gesprek tussen Abraham en God ons nu? Wat laat het ons nu zien, want dat het niet alleen over Abraham gaat, maar ook over onszelf en God, dat mag duidelijk zijn. Allereerst misschien wel dat de God van de Bijbel geen koele uitvoerder is van plannen, waar de mens part noch deel aan heeft. God zoekt in de mens werkelijk een bondgenoot om deze aarde, zijn schepping, en het samenleven daarop van ons mensen, ten goede te laten keren, menselijker te laten worden, rechtvaardiger. Zou God er niet heimelijk plezier in hebben gehad Abraham zo te horen pleiten voor barmhartigheid, vergeving, redding? Zou hij niet kunnen denken: dat is nu precies waar ik mijn mens hebben wil. Want op zoveel andere manieren had Abraham op de situatie in Sodom kunnen reageren. Van “Het werd hoog tijd dat het oordeel werd geveld over Sodom en Gomorra”, zoals Jona die op de tribune ging zitten voor de verwoesting van Ninevé, of zoals wij zelf, in onze samenleving of in onze eigen kring, soms op de tribune gaan zitten bij het leed dat “een ander toch echt over zichzelf heeft afgeroepen!”

Of Abraham had kunnen pleiten voor de goeden alleen, voor Lot en zijn familie alleen, dat tenminste zij gered werden. Maar het is alsof Abraham, nu God hem in vertrouwen neemt, én aarzelt, en de moed lijkt te verliezen, het is alsof Abraham het nu van God overneemt, door Gods nabijheid zijn eigen kleinheid overstijgt, alsof God in hem het beste naar boven haalt. Een gunnende levenshouding, noemde iemand het, groter dan ons hart, zegt een lied.
Zouden wij dat kunnen zijn in onze relatie met God? Dat juist in ons zoeken naar God, naar alles wat ons aan God doet denken, dat we groter dan ons hart kunnen denken en doen, dat wij als het ware God niet laten vergeten waar het om begonnen is, en niet alleen andersom, dat wij zijn barmhartigheid, zijn uit zijn op het leven, op zegen, zo eigen hebben gemaakt, dat we dat niet langer alleen van Hem laten afhangen?
Het is in onze oren een vreemde, ja misschien bijna godslasterlijke gedachte, dat God bij tijd en wijle geholpen zou moeten worden, dat wij mensen, die niets zijn dan stof en as, zoals Abraham dat zegt, God moeten herinneren aan zijn beloftes. Hem niet de moed laten verliezen. Toch komt het in die verhalen van God met mensen voor, hier maar ook straks zal Mozes in de woestijn bij God pleiten om vooral verder te gaan met zijn weerbarstige volk.

Is het in al die verhalen er niet om begonnen om ons te vertellen hoe zeer God werkelijk een relatie met ons wil aangaan? Hoe het er voor Hem toe doet wat wij zeggen, doen, denken, hoe we ons verbinden met Hem, hoe zeer we werkelijk partner, bondgenoot zijn, serieus genomen, geliefd, gekend, en geen marionetten.
Degene die hier, over hoe ook wij God soms moeten helpen, degene die hier het meest ontroerend, indrukwekkend en ook met diep ontzag voor God over schrijft, is de joodse Etty Hillesum, tijdens haar verblijf in een concentratiekamp in de Tweede wereldoorlog. Hoe zou God nu nog verder met ons kunnen gaan, verder willen gaan, lijkt ze tussen de regels door zich af te vragen. Hoe zou God het nu nog in heel deze afschuwelijke omstandigheden kunnen redden? En dan keert ook zij het, net als Abraham om.

In een gebed zegt ze:

Ik zal U helpen, God, dat U het niet in mij begeeft,
maar ik kan van te voren nergens voor instaan.
Maar dit ene wordt me steeds duidelijker:
dat U ons niet kunt helpen,
maar dat wij U moeten helpen
en door dat laatste helpen we ons zelf.
En dit is het enige wat we in deze tijd kunnen redden
en ook het enige waar het op aankomt:
een stukje van U in ons zelf, God.
En misschien kunnen we ook eraan meewerken jou op te graven
in de geteisterde harten van anderen.

Moge het zo zijn tussen God en ons. Dat er momenten zijn van onze overgave aan Hem, maar ook momenten dat we God helpen dat Hij niet ons en onze wereld begeeft.

Amen