Logo van de kerk

overweging in 2017 op 18 juni

Overweging 18 juni 2017

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

Het is een koude en gure winterdag in februari 1945, als de Duitsers een klein dorpje in Friesland binnenvallen voor een razzia. Al die jaren hebben inwoners en onderduikers zich veilig gewaand  door de geïsoleerde ligging van het plaatsje, maar deze keer komt de bezetter uit een onverwachte richting. Gerrit Rypma, 18 jaar oud, vlucht in paniek weg over het water, maar het is al te laat.

Gerard van het Reve schrijft er later één van zijn bekendste gedichten over:

Graf te Blauwhuis.

Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit een bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat? In die laatste zin klinkt de klacht, de uitroep, de noodkreet van Reve door tot God, om deze gebeurtenis die zo onrechtvaardig, zo zinloos en zo tegen het Koninkrijk van God en alles wat je je daar bij voorstelt ingaat. Alsof Reve vraagt aan God: bent u het misschien vergeten, die belofte van uw koninkrijk, hoe lang nog moet dit duren, al die dingen waar we de zin niet van begrijpen?

Dat Koninkrijk van U, weet u wel, wordt dat nog wat?

Ook na februari 1945 zijn er nog vele grote en kleine gebeurtenissen, waarbij je die roep, die vraag van Reve kunt voorstellen. Tragedies in persoonlijke levens van mensen, zoals voor de buurvrouw van Reve, de zus van de 18 jarige Gerrit Rypma, voor wie dat gedicht was geschreven, drama’s op grote schaal zoals de brand afgelopen week in Londen of de altijd maar voortdurende strijd in deze wereld om macht, bezit, en ideologie.

Zo vaak zou je je kunnen afvragen of het nog wat wordt met dat koninkrijk van God. En toch bidden we iedere week: Uw koninkrijk kome. Verwachten we er werkelijk iets van? Zijn we er nieuwsgierig naar, dat Koninkrijk van God? Kunnen we ons er iets bij voorstellen? Of zijn we teveel opgeslokt in ons eigen hier en nu, dat het te ver van ons af komt te staan?

Vanuit de hemel naar de aarde

Allereerst is het misschien goed om te zien dat die bede staat aan het begin van het Onze Vader, waarbij we achter elkaar drie keer ons op God en zijn werkelijkheid richten. Daarna komen er drie bedes over onze eigen werkelijkheid, ons eigen dagelijks leven, en hoe het daar er aan toe zou moeten gaan. Over ons brood, over onze schuld en vergeving daarvan en over onze beproevingen. Maar eerst….eerst richten we ons op Gods werkelijkheid, op Gods domein, zou je kunnen zeggen, op zijn Naam, zijn Koninkrijk en zijn wil. We kijken omhoog, strekken ons uit, we kruipen uit de coconnetjes van onze eigen levens, en plaatsen onszelf en ons leven en onze wereld in de ruimte van God, die zo weids, zo eindeloos, zo onmetelijk ver zich uitstrekt als de hemel. Dat gebeurt, zou je kunnen zeggen, als we dat begin bidden van het Onze Vader en dat is misschien anders dan we geneigd zijn om te doen als we bidden, omdat we vooral ons eigen leven, onze eigen zorgen en vragen bij God willen neerleggen, maar het is alsof met dat begin van het Onze Vader we er eerst bij worden bepaald, dat we leven, geborgen zijn, gedragen worden door een grotere werkelijkheid, dan wat wij hier en nu kunnen overzien en begrijpen. Eerst de beweging naar God toe en dan weer terug naar ons eigen leven.

laat uw naam geheiligd worden,
laat uw koninkrijk komen,
en uw wil gedaan worden,
op aarde zoals in de hemel.

Of misschien is voor die laatste zin, de manier waarop we het zeggen passender, gelijk in de hemel alzo ook op aarde. Dat is de beweging van het Onze Vader, we heffen onze harten op, onze blikken omhoog en vanuit de hemel maken we dan de beweging naar de aarde. Vanuit Gods werkelijkheid de beweging naar onze eigen werkelijkheid, die daardoor in een ander licht komt te staan, niet hetzelfde blijft, of op spanning komt te staan. Zou dat misschien ook het geval zijn bij die bede over het Koninkrijk van God?

Werkelijkheid 2.0

Kun je je er iets bij voorstellen, bij dat Koninkrijk van God? Wat moet je je er bij voorstellen? Jezus spreekt er op zoveel manieren over, het is met het koninkrijk van God als met een zaaier die uitging om te zaaien, zegt hij of als met een mosterdzaadje, de kleinste onder alle zaden dat uitgroeit tot een grote boom waarin de vogels kunnen schuilen, of als zuurdesem dat overal merkbaar is, kinderen hebben het makkelijker dan rijken als ze er binnen willen gaan, wie nakomt heeft het eenvoudiger dan degenen die de eersten willen zijn, en op het moment dat demonen verdreven worden dan is het Koninkrijk al aangebroken, zegt Jezus en dan spreekt hij er ook nog lang niet altijd openlijk over. Tegen zijn leerlingen zegt hij dat zij de geheimen van koninkrijk mogen kennen maar dat anderen er alleen in gelijkenissen over mogen horen, omdat ze zien zonder inzicht en horen zonder iets te begrijpen. Je kunt er dus blijkbaar ook aan voorbij leven, aan dat koninkrijk van God, het is niet altijd tastbaar, zichtbaar, of te merken.

Het koninkrijk van God, dat is in het evangelie het beeld van het volle leven, het leven zoals het bedoeld is en het leven waar God ons voor heeft bestemd, vol van vrede, gerechtigheid en heelheid. Het koninkrijk, dat is een kwaliteit van leven, waar een gelovige voortdurend naar streeft, naar uitkijkt, en naar verlangt. Jezus leefde die kwaliteit van leven voor toen hij tollenaars en hoeren uit hun isolement haalde, toen hij mensen op hun benen zette, toen hij mensen bevrijdde van alles waar een mens in gevangen kan zitten, toen hij liefde volhield tot het einde.

Iemand zei eens: het koninkrijk van God is ónze werkelijkheid, ónze realiteit, maar dan 2.0, de allerbeste werkelijkheid die we ons kunnen voorstellen.
Van dat koninkrijk zegt Jezus dat het niet aan te wijzen is, en tegelijk dat het binnen ons bereik ligt. Anders gezegd, je kunt de komst ervan niet aanwijzen, niet vastleggen, niet claimen ook niet in een datum of een moment zoals de Farizeeën daar naar lijken te vragen en vele mensen na hen dat hebben geprobeerd. Je mag het zelfs niet claimen, het is niet iets om je aan vast te klampen Daarvoor is het te zeer het koninkrijk van God. 

Maar … het ligt wel binnen handbereik, het is al in uw midden, zegt Jezus. Het is al onder u, nog weer anders gezegd. Met andere woorden, het is wel degelijk een menselijke mogelijkheid om nu al in dat en met dat koninkrijk te leven, je te richten op die bijzondere kwaliteit van leven en samenleven.

Die twee dingen horen beide bij het koninkrijk van God, Het is iets wat op ons toekomt, iets van toekomst, iets wat dus niet helemaal binnen onze macht ligt maar dat tegelijkertijd hier en nu al iets van ons vraagt, dat ons hier en nu een weg wijst, een levenshouding aanleert, een hoopvolle verwachting in ons wekt, ons behoedt voor cynisme. Laat uw koninkrijk komen, dat is niet alleen een passieve bede, maar ook een actieve weg, die je inslaat als je daar om bidt, je zoekt ermee naar een bepaalde kwaliteit van leven. Als een mens betrokken is bij Gods toekomst, dan kan de werkelijkheid daar nu al een beetje op gaan lijken.

Verzet, lijden en hoop

Laat uw koninkrijk komen, laat de toekomst zoals u die voor zich ziet, God, laat die toch doorbreken, dat daar ruim baan voor is en ook: dat ik, dat wij daar ruim baan voor maken. Er zit dus iets van verzet in die bede, verzet om niet te berusten dat de dingen nu eenmaal gaan, zoals ze gaan, zelfs in die klacht van Reve tot God klinkt door dat hij ergens wel weet heeft van een werkelijkheid waarin het er anders aan toe zal gaan dan zoals het was gegaan in februari 1945. Maar daar hoort dan ook onherroepelijk bij dat je er aan lijdt, als het koninkrijk van God ver weg lijkt te blijven, als het recht van de sterkste wel lijkt te overheersen, als alles wel blijft zoals het was. En het laatste wat bij die bede hoort is hoop, hoop als een onverwoestbare kracht die uiteindelijk toch langer blijft bestaan, dan alles wat die hoop onderuit wil halen.

Hoop is een kwaliteit van de ziel
en hangt niet af van wat er in de wereld gebeurt,

schreef de Tsjechische president Vaclav Havel

Het is een gerichtheid van de geest,
een gerichtheid van het hart,
verankerd voorbij de horizon.

Die hoop hoort bij de bede: laat uw koninkrijk komen en daarom is het zo van belang dat we het altijd samen bidden, zelfs al bid je het Onze Vader alleen, het is altijd een gebed van de gemeente, van de gemeenschap, van mensen samen, niemand draagt die hoop alleen, of kan die hoop alleen dragen, daar heb je elkaar voor nodig.

Ik wil afsluiten met een beeld, dat ik heb bij het bidden van precies deze bede van het Onze Vader, zoals we dat met z’n allen gezamenlijk doen. Het is als het uitwerpen van een denkbeeldige vislijn met een haakje naar die werkelijkheid, die wereld, dat koninkrijk van God toe. Uw koninkrijk kome, bidden we en dan werpen onze lijntjes uit in de hoop dat ze blijven haken aan de overkant, de één werpt misschien mis, misschien wel door alles wat er aan deze kant van de werkelijkheid speelt, of omdat het te ver weg is, te onmogelijk, te vertroebeld, maar de ander naast hem of haar haakt zich vast, en nog wel iemand, en nog wel iemand. Er loopt een lijntje, er lopen vele lijntjes de één misschien soms losjes, nieuwsgierig de ander misschien strak gespannen van hoop om die nieuwe wereld van God dichterbij te halen. Met z’n allen trekken we eraan, halen we het dichterbij door de woorden: Uw koninkrijk kome en soms heel even is het zo dichtbij ons, onverwacht, dat we er even wat van ervaren en dat het midden onder ons is, binnen ons bereik, dat we durven zeggen:
Dat koninkrijk van God, weet je wel,
dat wordt nog wel wat.

Amen

<