Logo van de kerk

overweging in 2017 op 14 mei

Overweging 14 mei 2017

Nu we op weg zijn naar hemelvaart richten we ons voor de tweede maal op het afscheid van Jezus. Deze keer niet met zijn lijden en sterven voor ogen, maar een afscheid dat in het teken staat van zijn opstanding, zijn leven dat niet eindigt in het donker van de dood maar bij God en zijn licht terecht komt. Vanuit die achtergrond lezen we de afscheidswoorden van Jezus die vandaag klinken in het Johannes-evangelie.

Schriftlezing: Johannes 17: 9-23

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Ik bid niet alleen voor hen,
maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven.
Laat hen allen één zijn, Vader.

Dat is de vurige bede van Jezus, die vandaag klinkt in het Johannesevangelie. Laat hen toch allen één zijn, bidt Jezus, niet alleen de leerlingen die nu bij mij zijn, maar ook al die mensen die nog na hun zullen komen.

Jezus bidt voor ons

Het is allereerst een bijzondere gewaarwording, vind ik, om je bij deze tekst te realiseren dat die woorden van Jezus’ gebed zich uitstrekken tot ons vandaag de dag, tot u en mij, zoals we hier vandaag zitten, dat Jezus het ook over ons heeft in dat gebed. Wij zijn ook die mensen die op grond van de verkondiging van de eerste leerlingen zijn gaan geloven. Ondanks die enorme afstand in tijd, komen die woorden van Jezus’ gebed hier vandaag op een hele directe manier tot ons. Jezus bidt voor ons, en vraagt ook voor ons dat wij bewaard blijven in Gods naam en dat wij allen één zijn.

Dat gebed van Jezus, waarvan we vandaag een gedeelte lezen, staat aan het slot van een lange toespraak die Jezus houdt aan tafel voordat hij afscheid moet nemen van zijn leerlingen. Meteen hierna zal hij gevangen worden genomen en worden uitgeleverd. Jezus wil zijn leerlingen graag nog wat meegeven. In het gebed is de intense betrokkenheid van Jezus op zijn leerlingen te merken. Zij moeten verder in die wereld die Hij op het punt staat te verlaten, een wereld die niet alleen Hem, maar ook zijn leerlingen op de proef zal stellen. En daarom spreekt hij dit gebed.

Als de leerlingen één zijn…

Woorden worden vaak wezenlijker en authentieker als je op het punt staat om afscheid te nemen en weet dat je elkaar niet meer zult zien. Alsof je dan eindelijk kunt zeggen waar je eerder nooit woorden voor vond of wat je niet durfde te zeggen. Zo komen die woorden van Jezus vandaag op mij over, alsof hij nog eenmaal zijn hart uitstort, en dan deze keer niet om zijn leerlingen te onderwijzen of te vermanen, maar in de kwetsbaarheid van een gebed.
Jezus richt zich niet rechtstreeks tot zijn leerlingen, maar deelt zijn zorgen met God. Alsof Hij, ondanks zijn grote vertrouwen op God, moeite heeft om zijn leerlingen los te laten. Want niet voor zichzelf bidt hij zo vlak voor zijn uitlevering, maar voor de mensen die hij moet achterlaten. Soms heeft een mens al vrede gevonden met zijn eigen sterven, maar is het juist de zorg voor hen die je lief zijn, die maakt dat je aan het leven vast blijft houden.

Jezus vertrouwt daarom zijn leerlingen toe aan zijn Vader. Hij vraagt God dringend in zijn gebed of ze één mogen zijn, zoals Hij en Zijn Vader één zijn geweest. Verschillende keren komt dat terug in het gebed. Want als die leerlingen één zijn, dan zal de wereld begrijpen dat Hij door God gezonden was, als ze één zijn dan zal de wereld begrijpen dat God hen heeft liefgehad, zo zegt Jezus

De vraag is, wat Jezus nu bedoelt met dat één zijn. Welke eenheid zal Hij in gedachten hebben gehad? Waar zal Hij op gehoopt hebben toen hij deze woorden uitsprak over zijn leerlingen? Zelfs Hij was niet in staat, om al zijn leerlingen bij elkaar te houden tijdens zijn leven, even voor dit gedeelte is Judas al weggegaan om hem te verraden.
Dus, als Jezus de boodschap van Gods liefde en de geloofwaardigheid daarvan, laat afhangen van die eenheid van zijn leerlingen, dan plaatst hij wel een hele zware last op hun schouders, een last die zij dan ook niet waar zullen kunnen maken. En als het evangelie af zou hangen van de eenheid van de kerk, dan zou je moeten constateren dat de boodschap van het evangelie eerder is ontkracht dan bevestigd en verkondigd door de wereldwijde kerk.

Wanneer ben je nu werkelijk één als mensen, ondanks al je verschillen?

Soms kun je het gevoel van eenheid plotseling even hebben, als er een feest, een blijde gebeurtenis wordt gevierd, dat je even heel sterk merkt: hier zijn al die verschillende mensen samen blij om dezelfde gebeurtenis, dezelfde zaak. Hier gebeurt iets dat ieder van ons individueel overstijgt, en dat we allemaal toch heel persoonlijk beleven
Een geest van eenheid kan dan heel sterk even voelbaar zijn in een kamer, een zaal of een kerk. Dat kan ook zo zijn als er juist verdriet of geschoktheid wordt gedeeld. Ook dan is die geest van eenheid soms heel sterk te voelen. Iedereen is gericht op hetzelfde. Al verandert het niets aan het verdriet, van dat gedeelde, van zo’n eenheid kan soms een grote troost uitgaan.

Eenheid vinden kun je niet vanzelf

Je hebt daarvoor een fundament voor nodig, een basis die je gezamenlijk deelt, iets wat je samen meemaakt of ervaart. Jezus benoemt in zijn gebed zo’n gezamenlijke basis, zo’n fundament, waardoor hij gelooft dat mensen één kunnen zijn. Hij zegt:
Ik heb hen laten delen in de grootheid
die u mij gegeven hebt,
opdat zij één zijn zoals wij één zijn.

Met andere woorden, Gods grootheid of heerlijkheid, Gods glorie zoals er letterlijk in het Grieks staat, dát is het fundament waardoor mensen één kunnen zijn, waardoor ze bij elkaar horen, zegt Jezus. God heeft zijn grootheid, zijn glorie met Jezus gedeeld en Jezus heeft dit op zijn beurt weer met zijn leerlingen gedeeld, door dit gezamenlijke fundament zijn ze samen één, ook als Jezus straks niet meer bij hen is. Allemaal hebben ze dóór Jezus op hun eigen manier gedeeld in Gods glorie, in zijn grootheid.

Nu klinkt dit misschien allemaal nog heel abstract, onbegrijpelijk misschien, daarom wil ik het verduidelijken met een beeld dat Calvijn ooit gebruikte om uit te leggen wat de glorie van God was. Gods heerlijkheid, zijn glorie aanschouwen is, zegt Calvijn, net als wanneer er door smalle kieren van die stralen licht tot iemand komen, die in het donker opgesloten zit. Stelt u zich maar zo’n oude donkere boerenschuur van binnen voor, waar tussen de houten planken door stralen zon van buiten naar binnen komen. Die repen lichtval door de kieren heen roepen een verlangen op, zegt Calvijn, om de bron van het licht te zien in al zijn volheid.

Als beeld van God
verwijst ieder mens
op die manier naar God en zijn glorie,
zoals zo’n reep lichtval verwijst naar de bron van het licht. 
Ieder mens draagt iets van de glans van Gods heerlijkheid,
in zich en om zich heen mee.
Ieder mens verwijst op zijn eigen manier naar de volle glans van Gods glorie, het fundament waarop we allemaal één zijn.

Of Calvijn er aan gedacht heeft bij deze uitleg, weet ik niet, maar ook de Joodse traditie kent een verhaal met een dergelijke strekking. Het vertelt dat God aan het begin van de wereld zijn Licht bewaarde in aarden vaten. Maar er was zoveel Licht bij God, dat de vaten op spanning kwamen te staan en braken, waardoor het licht uiteenspatte en het zich verspreidde onder de mensen. Ieder mens draagt iets van dat licht van God mee en daardoor ook het verlangen naar die eenheid die er vroeger was. Ieder mens kan dat licht in zichzelf en de ander ontdekken en daar iets van uitstralen, ook al gebeurt dat nog onvolmaakt en gebroken.

Als Jezus bidt: laat hen allen één zijn, dan doelt hij daarbij niet op dat zijn leerlingen hetzelfde moeten zijn of hetzelfde moeten denken, maar dan begrijp ik dat zo, dat hij erom bidt dat ze in zichzelf en in de ontmoeting met de ander de glans van God blijven zien, want als je bij jezelf en ook in die ander dat licht wilt en kunt zien, dan besef je dat je één bent, ook al ben je nog zo verschillend.

Laat hen allen één zijn…

Vaak denken wij dan dat wij moeten beginnen om het zo veel mogelijk met elkaar eens proberen te zijn, om zelf die eenheid voor elkaar te krijgen en daaraan te werken. Dat kan natuurlijk mooi zijn en ook zinvol, maar in Jezus’ woorden zie ik een andere beweging, niet zozeer in horizontale richting die eenheid eerst gaan zoeken, dus tussen mensen onderling, maar allereerst in verticale richting beginnen, die eenheid met God zoeken, zoals Jezus die eenheid telkens weer met zijn Vader zoekt. Dat is: beseffen dat je als mens een deel opvangt van die glans van God, van zijn heerlijkheid dat je al dat licht van God met je meedraagt, op jouw eigen wijze en van daaruit kijk je om je heen naar je medemens, vanuit het besef dat ook hij of zij iets van de glans van God weerspiegelt en dat je daardoor met elkaar verbonden bent, hoe dan ook, en dat je daarom niet kunt zeggen: ik heb niets met jou van doen.

Laat hen allen één zijn, één met de Vader en van daaruit één met elkaar, in het gelaat van de één én in het gelaat van de ander is de glans van God. Dát zien, en dááruit leven, dat is wat Jezus al biddend op het oog heeft.

Amen.