Logo van de kerk

overweging in 2017 op 10 september

Overweging in 2017 op 10 september

Lezing Mattheus 18: 15-20

Inleidende woorden

Vanmorgen lezen we een gedeelte uit Mattheus 18, een hoofdstuk dat bekend staat als “ de gemeenterede.” Dat wil zeggen, een hoofdstuk waarin van allerlei aanwijzingen worden gegeven uit de mond van Jezus voor de eerste christelijke gemeentes. Hoe kunnen ze samen gemeenschap zijn, hoe zorgen ze dat ze samen op de goede weg blijven, dat ze blijven gaan in het spoor van Jezus?
Dat er in die eerste christelijke gemeentes ook van alles op spanning stond en mis kon gaan, blijkt straks wel uit de lezing die we horen. Daarin horen we uit de mond van Jezus een soort stappenplan, wat te doen als een broeder of zuster een misstap begaat. In de overdenking zullen we nadenken over de vraag op welke manier deze tekst tot ons kan spreken zonder dat we vervallen in moralisme of wijzende vingers.

Biechten anno 2017?

“ Lucht je hart, ga biechten in Groningen ”.
In de laatste Woord en Weg, het informatieblad van de Protestantse kerk Nederland, is dat één van de koppen. Het vertelt het verhaal van een dominee in Groningen die in de monumentale Martinikerk op de Grote Markt een biechtspreekuur heeft ingevoerd.
Als ik het zo noem, zo zegt hij, dan snappen mensen dat het om meer gaat dan een wissewasje. Iedere woensdag kun je bij hem terecht, soms komt er niemand, soms wordt hij overweldigd door wat mensen vertellen. Onze seculiere maatschappij heeft vaak moeite met het kwaad, zo legt hij uit waarom hij dit initiatief heeft genomen. Als je vanuit het humanisme, vanuit het goede van de mens denkt, wat moet je dan doen met alle schuld, al het kwaad, dat zich in je ziel en hart ophoopt? De rottigheid die je zelf oploopt of die je zelf veroorzaakt hebt, waarvan je spijt hebt? De theoloog Bonhoeffer is een inspiratiebron voor hem geweest, vertelt hij.
Zonde, zo schrijft Bonhoeffer, heeft de eigenschap dat het alleen is met mensen. Het kan iemands leven verzieken, maar op het moment dat je wat gebeurd is, in het licht houdt, het licht van het evangelie, dan kan het kleiner worden. Als sneeuw die smelt voor de zon.

Het is interessant hoe in het jaar dat we veel over Luther horen én daardoor ook over de biechtpraktijk, die in Luthers tijd helemaal ontspoord was, hoe er in dezelfde traditie 500 jaar later toch weer een voorzichtig, bescheiden initiatief is om het waardevolle van zoiets als de biecht naar boven te halen. Dat er een plek is, zoals dat biechtspreekuur waar je met alles waarin je vastloopt naar toe kunt, waar je weer opnieuw mag beginnen, waar je niet voor altijd alles bij jezelf hoeft te houden, iets hoeft te verbergen van jezelf. Nog niet zo lang geleden was er in Tilburg een tentoonstelling over de zeven hoofdzonden en half schertsend, half serieus was er op de zondagen de mogelijkheid om te biechten. Klonk hier ook de ondertoon in door dat er in onze samenleving, die toch vooral succes en prestatie op de voorgrond zet dat er geen plek meer is om je eigen gebrokenheid, je eigen kwetsbaarheid of falen te benoemen?

Stappenplan

Ik moest aan dit alles denken bij het lezen van de woorden van Jezus over wat te doen als iemand in de gemeente een misstap begaat, tegen jou ook nog staat er bij. Er volgt nogal een zakelijk procedé wat te doen, een soort van stappenplan dat afgewerkt moet worden. En hoewel ik dat zelf niet mee heb gemaakt, kan ik me goed voorstellen dat bij een eerste beluisteren van een tekst als deze de woorden een beklemming oproepen die in een bepaalde tijd bij de kerk hoorde, een tijd waarin het ging om tucht, om vermaning, om controle door ouderlingen voordat iemand aan het avondmaal ging, het toetsen van iemands levenswandel, elkaar oordelen en veroordelen.
Een ontspoorde praktijk waarin weinig meer te merken was van de barmhartigheid van het evangelie, maar des te meer van hoe mensen macht over elkaar kunnen uitoefenen, elkaar klein kunnen houden of angstig kunnen maken, een praktijk die misschien terug te voeren was naar een tekst als deze, van opzicht door een ouderling in een huisbezoek tot aan openbare schuldbelijdenis te midden van de gemeente. Dat maakt het moeilijk om een tekst als van vanmorgen open te beluisteren, omdat die herinnering of associatie ons in de weg kan zitten.

Toch is het, denk ik, de moeite waard de vraag te stellen die achter deze woorden uit Mattheus schuilgaat, want die blijft net zo actueel als toen de eerste gemeentes ontstonden, namelijk, hoe ga je er mee om als iemand tegen je zondigt in de gemeente? Of anders gezegd, als het botst, als jou onrecht wordt gedaan of jij de ander tekort doet, terwijl je tegelijkertijd samen ook leerling van Jezus probeert te zijn?
Is er dan een verschil in hoe je ermee omgaat, maakt het wat uit dat je allebei Jezus’ weg probeert te volgen of juist helemaal niet? Lukt het om het anders te doen of helemaal niet? Juist als het binnen een gemeente, binnen een kerk botst tussen mensen, als er onrecht is, dan grijpt dat ergens toch ook wel diep in, hoe zeer we ook gewoon weten dat niets menselijks hier vreemd is. Die vraag, die ervaring schuilt achter de woorden uit Mattheus, daar is over nagedacht, het stappenplan in die paar verzen probeert daar een antwoord op te geven, orde in te scheppen, een richting in te wijzen.

Waar twee of drie…

Als een broeder of zuster tegen je zondigt, moet je die daarover onder vier ogen aanspreken. Als ze luisteren, heb je ze voor de gemeente behouden.
Dat is de eerste stap die genoemd wordt en het advies geldt hier wat mij betreft net zo goed andersom, dat wanneer je zelf inziet dat iets helemaal anders had gemoeten, dat je op diegene afstapt en dat bespreekt onder vier ogen.
Hoewel het zo vanzelfsprekend klinkt, is dit al een hele stap. Het betekent: Afzien van bondgenoten zoeken, partijvorming, een boze mail sturen, ergens mee rond blijven lopen maar ondertussen op allerlei andere manieren iemand onheus bejegenen, het zijn wegen waar je zoveel sneller je toevlucht in zoekt, die zo voor je klaar liggen. Op iemand afstappen en onder vier ogen aanspreken zet je stil bij wat er daadwerkelijk gebeurd is, wat het is dat het jou zo geraakt heeft, en het geeft de ruimte voor gesprek, voor reactie en tegenreactie. Als hij of zij luistert heb je hem/haar voor de gemeente behouden, zegt Jezus en ook hier kun je zeggen dat het andersom geldt, als je zelf werkelijk durft te luisteren naar wie bij je komt, dan behoud je elkaar voor de gemeente, de gemeenschap die je vormt in Jezus’ naam.

Even verderop haalt Jezus de bekende uitspraak aan van waar twee of drie mensen bij elkaar zijn, dat Hij daar in hun midden is. Dit wordt vaak aangehaald om aan te geven dat God, Jezus erbij is ook in kleine kring, maar Jezus heeft deze woorden dus bedoeld voor een situatie waarin er spanning is, waar het erop aan komt, waar elkaar geen recht wordt gedaan, waar mensen de verbinding met elkaar dreigen kwijt te raken of al zijn kwijtgeraakt.

Waar twee of drie zó in mijn naam samen zijn,
daar ben ik in hun midden, zegt Jezus.

Tegen deze achtergrond klinken die bekende woorden anders. Maakt die aanwezigheid, het besef dat je samen komt met alle moeite voor Gods aangezicht het anders? Dat je niet verzandt in verwijten alleen? Dat er meer is dat je met elkaar verbindt dan het persoonlijke alleen, dat je samen ergens zoekt naar het goede leven, het koninkrijk van God, het evangelie of hoe je het ook maar verwoordt?

In hetzelfde blad Woord en Weg komt columnist Stephan Sanders aan het woord die zegt: “ We maken ons altijd wel schuldig aan iets. In de kerk wordt voorbij de schuld gedacht. Daar gaat het ook over vergeving. Dan kun je verder ondanks alle fouten die je ongetwijfeld weer zult maken. Vergeving kan een bijdrage van de kerk zijn aan een samenleving waarin we vaak niet verder komen dan schuldigen aanwijzen.”

Gebrokenheid én heelheid

Lucht je hart, ga biechten in Groningen, of biecht bij elkaar, spreek elkaar aan, in de beslotenheid van een goed gesprek, in de zin van: dit lukt me niet, dat is me bij de handen afgebrokkeld, dat ene had ik anders moeten doen tegenover jou.

Ook al komen de woorden vanuit het evangelie me wat te procedureel, kil en soms ook ongepast over, en zelfs op sommige punten ongeschikt lijken om om te gaan met een conflict, de woorden stemmen wel tot nadenken of de gemeente van Christus niet juist een plek mag zijn waar datgene waarin we vastlopen, wat in onszelf mislukt, waar we een ander tekort mee doen of een ander ons, of datgene in alle eerlijkheid én barmhartigheid benoemd mag worden, bespreekbaar mag worden gemaakt, in gebed, in het vieren van avondmaal, of misschien in alle zorgvuldigheid bij elkaar in gesprek. Dat we daarmee als kerk, als gemeente een verschil maken in een samenleving waarbij juist dat veel in het verborgene blijft, bij mensen zelf achter de voordeur of in therapie.

Als we straks brood en wijn delen erkennen we onze gebrokenheid, de breuklijnen in ons leven en in onze gemeenschappen, én worden we bemoedigd met het perspectief van vergeving, genade en heelheid, in Jezus’ naam.

amen