Logo van de kerk

overweging in 2017 op 1 oktober

Overweging 1 oktober 2017

Lezing: Mattheus 21:23-32

Jao jao en nee

Ik wilde vanmorgen maar eens beginnen met een vraag, met u iets voor te leggen. Wat bedoelt iemand aan deze kant van de IJssel te zeggen als hij of zij een vraag beantwoord met de woorden jao jao? Dus een Achterhoeker, een Tukker, een Drenth misschien ook. Wat bedoelt ie als ie ten antwoord op een vraag geeft: jao jao?
Zoiets als: ik moet er nog eens over nadenken? Ik denk er het mijne van? Jij kunt dat wel zeggen, maar ondertussen… Ik wil je niet voor het hoofd stoten, dus zeg ik jao jao maar denk nee nee.
Hier was ik na bijna zeven jaar Noord-Holland wel min of meer op voorbereid, dat dit aan de oostkant van het land anders eraan toe ging dan in het westen. Als iemand er ook nog bij zegt: Ie zult wel geliek hebb’n, dan weet je zeker dat je moet oppassen.

Maar ik leerde nog iets nieuws toen ik hier net was. Ik leg het u maar weer even voor en ik hoor wel of u het herkent, ja of nee. Misschien zegt u wel jao jao. Iemand vertelde mij dat als je hier iemand ergens voor vraagt, het heel goed kan dat diegene eerst nee zegt, maar als hij of zij er dan een poosje mee rondgelopen heeft en er over na heeft gedacht, dat het dan heel goed kan dat hij of zij toch ja zegt. Met andere woorden, wilde diegene me maar zeggen, laat je niet ontmoedigen door een eerste nee. Want er zou zomaar een ja op kunnen volgen.

Zomaar twee voorbeelden over ja en nee zeggen uit deze omgeving en het blijkt al dat zelfs al achter de twee meest eenvoudige woorden van onze taal, ja en nee, een hele wereld schuil kan gaan van bedoelingen, bijgedachten en onuitgesproken opvattingen. Zelfs dan komt het al aan op goed luisteren. Laat uw ja ja zijn en uw nee nee, staat ergens anders in de Bijbel, maar dat is blijkbaar in de praktijk toch niet altijd zo makkelijk. Soms zeg je ja, maar doe je of bedoel je inwendig nee, je wilt ergens vanaf zijn, of je wilt die ander niet teleurstellen. Of soms schrik je ergens van terug, zeg je nee maar keer je je later toch om en bedenk je je en doe je ja!

Ja zeggen en nee doen, en nee zeggen en ja doen. Daar gaat het over in de gelijkenis die Jezus vertelt en het lijkt op het eerste gezicht zo’n overduidelijke gelijkenis. Als een mens vraagt aan zijn twee kinderen of ze hem willen helpen in de wijngaard, zegt de eerste nee, maar gaat later toch, terwijl de tweede ja zegt maar uiteindelijk niets doet. Wie heeft nu de wil van de vader gedaan, vraagt Jezus aan zijn toehoorders en dat lijkt vragen naar de bekende weg.
Je moet doen wat je zegt, dat lijkt uiteindelijk de moraal van dit verhaal. Of wat je doet is belangrijker dan wat je zegt, Dat zou ook nog kunnen.
En hoewel daar niets mis mee is, met zulke conclusies, is het wel zeer de vraag of Jezus dat uiteindelijk op het oog heeft met zijn gelijkenis. De gelijkenissen van Jezus gaan vaak verder dan alleen een huis-tuin-en keuken-moraal, ze willen ons eerder iets laten ontdekken over onze verhouding tot elkaar, tot onszelf en uiteindelijk tot God, ze willen ons laten ontdekken dat Gods hart ruimer is dan ons ja, ons nee en alles wat daar zo een beetje tussenin zweeft.

Geladen gelijkenis

Zeker wanneer we bedenken in welke situatie en op welk moment Jezus deze gelijkenis vertelt, dan is dat op een allesbehalve onschuldig moment en dat kleurt het begrip van die gelijkenis.
Als Jezus de tempel in Jeruzalem binnengaat om te onderwijzen, zoals onze tekst van vanmorgen begon, dan is er inmiddels al heel wat gebeurd. De mensen hebben hem als een koning de stad binnengehaald onder het zingen van Hosanna voor de Zoon van David en vervolgens is Jezus linea recta naar de tempel doorgegaan en heeft alle tafels van de handelaren en verkopers omver gesmeten, waarbij hij heeft gezegd: Dit huis moet een huis van gebed zijn in plaats van een rovershol. En de gevestigde religieuze orde heeft dit alles met een toenemende onrust aangezien, ze hebben de kritiek gevoeld in Jezus’ handelen en als Jezus dan ook nog de volgende dag opnieuw terugkomt naar de tempel om de Thora uit te leggen, de taak van de schriftgeleerden, dan komen ze naar hem toe en vragen: Op grond van welke bevoegdheid doet u die dingen? En wie heeft u die bevoegdheid gegeven?
En dat is een geladen vraag, dat voel je aan alle kanten, een vraag waar dreiging in klinkt, Jezus moet zich verantwoorden tegenover de religieuze macht. Hij antwoordt niet direct maar stelt een tegenvraag. Alsof hij wil zeggen: als jullie naar mijn gezag vragen, dan vraag ik ook naar jullie gezag, jullie inzicht, bevoegdheid en hij stelt als het ware dezelfde vraag terug, alleen dan over Johannes de Doper, zijn voorloper, doopte die in opdracht van de mensen of van de hemel? Met andere woorden, herkenden jullie in hem iets van God of schreven jullie hem af als iemand onder de mensen?
Ze overlegden met elkaar, staat er, en zeiden:
als we zeggen: van de hemel, dan zal hij tegen ons zeggen:
waarom hebt u hem dan niet geloofd?
Maar als we zeggen: van mensen, dan krijgen we het volk over ons heen,
want iedereen houdt Johannes voor een profeet.
Dus gaven ze Jezus als antwoord: we weten het niet.

Twee kinderen, twee spiegels

Zo staan ze in een patstelling tegenover elkaar, Jezus en de gevestigde macht. In plaats van dat Jezus het daarbij laat, vertelt hij aan de hogepriesters en de oudsten de gelijkenis van de twee kinderen en altijd is de vraag bij zo’n gelijkenis van Jezus, voor de hoorders toe en nu: wie ben ik hier in het verhaal? In wie herken ik me? Op wie lijk ik?
Met de zoon die ja zegt, maar nee doet, heeft Jezus de oudsten en de hogepriesters op het oog, maar niet alleen hen. Dat ene kind, dat ja zegt en nee doet, die staat voor overal waar geloven en religie georganiseerd raakt, waar geloven, godsdienst in wetmatigheden en regels gegoten wordt, overal waar macht een rol gaat spelen, waar het hart van de zaak, waar het ooit om begonnen was, gestold raakt in vaste vormen, wetten, opvattingen.
Wie heeft de wil van de Vader gedaan? vraagt Jezus. De verwarring die vaak optreedt, is dat wat God van mensen vraagt, wat God van mensen wil, samenvalt met, vastligt in die regels, wetten, opvattingen, je daaraan houden, ja zelfs de ander erop veroordelen als hij of zij het niet doet, maar is het God daar nu werkelijk om begonnen? Gaat het niet altijd om het geleefde leven, om de ene mens die voor je staat, om die ene situatie en hoe daarin liefde, trouw en goedheid vorm kan krijgen, gedaan kan worden, meer dan alle regels, wetmatigheden, macht en oordelen ooit kunnen verwoorden?

Jezus zet daar voor de gevestigde godsdienstige orde een shockerend beeld tegenover, door te zeggen dat randfiguren in de gemeenschap, zoals tollenaars en hoeren, mensen die zich op geen enkele manier hielden aan de religieuze voorschriften en geboden, dat zij dichter bij Gods gedroomde wereld komen dan degenen die door Jezus worden aangesproken. De tollenaars en de hoeren, zij zijn degenen die de woorden van Johannes, van Jezus dichtbij hebben laten komen, in hun eigen leven, in hun eigen doen, niet gehinderd door opvattingen, regels en wetmatigheden, niet gehinderd door een machtspositie die verloren kan worden, bij hen hebben de woorden, de boodschap van Jezus van het Koninkrijk van God ommekeer teweeg gebracht, verandering, vernieuwing.

Uiteindelijk spreekt Jezus geen oordeel uit over de beide kinderen, hij kiest niet tussen die twee, ze horen bij elkaar, ze spiegelen beide iets van onszelf. De ja-zegger leert dat geloven telkens weer een waagstuk is, dat het wat van je vraagt, dat je je niet kunt verschuilen achter regels, stelligheden, oordelen over de ander, maar dat het je telkens weer terugbrengt bij je jezelf, hoe jij reageert, je opstelt, de ander ontmoet, ruimte voor God maakt.
Dat de ja-zegger er is in het verhaal stelt ons in alle eerlijkheid ook de vraag of we die kant in onszelf onder ogen komen, die kant van ons, waar we de grote woorden wel beamen, maar niet waar kunnen maken, hoe we daar soms op stuk lopen.

De aanvankelijke nee-zegger leert dat een mens nooit onherroepelijk is veroordeeld, vastgepind wordt op zijn daden, dat er altijd ruimte is om om te keren, te vernieuwen, je te heroriënteren, stappen te zetten, voor jezelf of naar de ander toe, naar Gods gedroomde wereld toe, naar wat Jezus het koninkrijk van God noemt.

Derde zoon

Ga werken in de wijngaard, vraagt de vader aan zijn kinderen, wat zoveel betekent als: zet je in voor het goede leven, een leefbare wereld, een wereld waar mensen het volhouden met hoop op gerechtigheid, waar genoeg is uiteindelijk voor iedereen, waar liefde het laatste woord is.
We zouden er nog een derde zoon aan toe kunnen voegen vandaag, de zoon die ons de gelijkenis vertelt, het kind dat ja zegt en ja doet tot het uiterste, ondanks dat iedereen en alles om hem heen uiteindelijk nee zegt tegen de liefde en trouw die hij vol wil houden, Het Kind dat sprekend op zijn Vader lijkt De Vader die vanaf het begin “ja” heeft gezegd tegen mensen en dat onvoorwaardelijke ja van de liefde niet terugtrekt, ondanks ons ja ja, en dan weer nee tegen Hem. God is ja uit “ja en nee”, zoals we straks zullen zingen in het lied van Barnard na de overweging

Dat het ja van Gods liefde voor deze wereld en ons mensen ons mag dragen, moed mag geven, dat het ons ook telkens weer doet omkeren naar elkaar en ons de hoop niet doet verliezen op de wijngaard.
in Jezus’ naam,
amen