Logo van de kerk

overweging in 2017 op 1 januari

Overweging in 2017 op 1 januari

Lezing Numeri 6: 22-27

Gemeente van onze Heer Jezus Christus

In 1986 werden er in Jeruzalem in een oud graf twee opgerolde zilveren plaatjes gevonden. Het bleek een halsketting te zijn van 2600 jaar oud met een fragment uit de bijbel: de zegen uit Numeri. Een halsketting met die bekende woorden, die we zojuist hoorden. Iemand droeg dus die bekende zegenwoorden om de hals. Hij of zij droeg ze dus heel dicht op de huid, zelfs tot in het graf, tot in de dood.
Het is bijzonder om te weten, vind ik, dat de woorden uit Numeri 6, de woorden van de Aäronitische zegen, zoals die vaak wordt aangeduid, al zovele eeuwen van betekenis zijn voor mensen, al zovele generaties hebben deze woorden gehoord, gelezen of geschreven op bijzondere momenten in hun leven en nog steeds.

Ik moest in de voorbereiding denken aan meneer van der Meer, hij overleed een jaar of wat geleden maar het was de lange statige man die op de hoek van de bank zat, daar ergens halverwege de kerk, die steevast zei: het is altijd de moeite waard om naar de kerk te gaan, want je krijgt altijd de zegen mee.
Maar wat is dat dan precies, de zegen meekrijgen? Wat merk je daarvan? Waar hoop je op? Wat mag je ervan verwachten? Wat betekenen die woorden, die de bezitter van de halsketting zo dicht bij zijn hart wilde dragen? We lopen de woorden eens langs op deze eerste dag van het nieuwe jaar, waarop mensen elkaar zoveel zegenwensen meegeven.

De Heer zegent je…

Ten eerste valt op in die zegen en zeker als je de verzen eromheen leest dat het via… via…. via… gaat, God zegt tegen Mozes dat hij tegen Aaron moet zeggen dat hij de mensen moet zegenen. Het begint bij God en vervolgens breidt het zich uit naar één, naar twee, naar steeds meer mensen, heel Israël, heel de wereld. De zegen breidt zich uit, alleen in de taal en tekst zie je dat. Het zijn drie zinnen in het Hebreeuws, de eerste met drie woorden, de tweede met vijf woorden en de derde met 7. En als je het aantal letters telt dan is het 15, 20 en 25. De zegen is als een vogel die zijn vleugels steeds wijder spreidt. En het is alsof met het aantal ook de woorden in kracht toenemen. En uiteindelijk staat er aan het einde dat God het zelf is die zegent. Het komt weer terug bij de bron.

Via… via… via… er zit beweging in, de zegen is niet iets statisch maar stroomt. Dat laat ook mooi zien hoe zegen altijd iets is dat je ontvangt en wat je ook altijd krijgt om weer door te geven, je hebt de zegen nooit in bezit, in je macht. Dat behoedt ons ook om zegen in de vorm van bezit of voorspoed te zien als iets waar je recht op zou hebben. Wie iets als zegen benoemt, wat het ook is, beseft het geschonken karakter van de goede dingen die je op je pad komen. Of zou dat moeten beseffen, het is nooit helemaal van jou of door jou.

In het Latijn en Grieks betekent zegenen letterlijk: goede woorden spreken. Zegenen is goede woorden tegen iemand zeggen, en in het Hebreeuws betekent het ook nog zoiets als ‘tot volle ontplooiing komen, groeikracht krijgen’. Iemand zegenen is dus iemand zo toespreken, dat hij eraan groeit, dat hij of zij er beter van wordt.
In de zegenwoorden zelf uit Numeri wordt iemand persoonlijk toegesproken. De Heer zegent je, behoedt je, maar daarom heen wordt de gemeenschap, de gemeente aangesproken, anders gezegd, in de zegen gaat het om jou persoonlijk, maar je staat ook altijd in verbinding met andere mensen om je heen, je leeft niet op jezelf of voor jezelf, de zegen is altijd ingebed in de gemeenschap!

De Heer zegent je en Hij behoedt je…

Eigenlijk staat er in dat laatste geval “Hij bewaart je”. Dat betekent niet dat je niets overkomt, dan zou de zegen iets magisch krijgen, toverkracht, alsof het je kan weghouden bij onheil, maar in die woorden klinkt wel zoiets door als dat je nooit uit Gods hand valt, uiteindelijk, wat er ook op je pad komt, je komt bij God terecht. Het is een zoeken naar beelden om dit uit te drukken, maar gaat, denk ik, om het vertrouwen dat iemand er nooit tevergeefs is in Gods ogen, je doet er toe, wie je bent en wat je doet voor Gods aangezicht. Hij bewaart je, in zijn handen, in zijn hart. God spreekt woorden tot je waaraan je kunt groeien als mens en hoe dan ook, doe je er toe, doet jouw leven ertoe. Dat wordt in die eerste regel al gezegd. En dat is niet alleen iets wat we van God mogen verwachten, je zou ook kunnen zeggen: dat is ook een uitgangspunt voor onze omgang met elkaar.

Ik moet denken aan het verhaal een moeder die vertelde dat haar zoon iets gestolen had. Ze zei: ik kan nu twee dingen tegen hem zeggen. Ik kan zeggen, jij deugt niet want je hebt gestolen, of ik kan zeggen: doe het maar niet meer, want ik weet dat je een goeie jongen bent. Ik weet zeker, zei ze, dat hij van die laatste woorden zal groeien. En ze liet merken dat wat hij deed er voor haar toe deed. Ze bewaarde hem binnen de cirkel van haar liefde.

De Heer doet zijn aanschijn over u lichten en is u genadig.

Je aanschijn over iemand laten lichten, iemand met lichtende ogen bekijken. In deze zin wordt Gods welwillendheid naar mensen uitgedrukt, telkens licht hij weer op over hun bestaan, hoe donker het ook is, telkens straalt er iets af van Hem over ons leven en daar hoort dat tweede gedeelte van die zin onlosmakelijk bij, dat Hij genadig is, dat Hij een mens niet afrekent op al zijn fouten, angsten, grilligheid. Je zou kunnen zeggen, een mens krijgt speelruimte bij God, God kijkt voorbij onze buitenkant, onze maskers. In zijn barmhartige licht wordt wie wij zijn als heel de mens zichtbaar. Met alles wat we van onszelf aan de buitenkant laten zien, maar ook wat daar achter verborgen zit.

Ik moest hierbij denken aan een fragment uit een film over een kloostergemeenschap, over broeders die intensief met elkaar samenleven in een relatief klein klooster. In dat fragment hebben twee broeders even een kleine, onbeduidende confrontatie, de één vraagt wat aan zijn broeder, maar krijgt een onverwachte sneer terug. De broeder die de vraag stelt, reageert er niet op, maar mompelt zoiets als: Hij zal wel slecht geslapen hebben. Hij geeft zijn medebroeder speelruimte, hij rekent hem niet af op wat deze medebroeder aan de buitenkant laat zien, hij laat zijn aanschijn over heel zijn broeder lichten, zoekend naar meer dan de fouten, angsten of grilligheid van de buitenkant alleen.

Ik denk dat deze houding naar anderen alleen te leren is, als je zelf weet hebt van Iemand die zijn aanschijn op die manier over jou laat lichten, iemand die jou je nukken vergeeft, iemand die begrijpt hoe je soms uit vermoeidheid of onzekerheid net de verkeerde dingen kan zeggen. Als je zelf je op die manier gekend weet bij een ander, of dat nu bij God is, of een geliefde naaste, dan heb je ruimte om die houding door te geven.
Ik moest bij deze regel ook denken aan de verhouding tussen ouder en kind, hoe vaak als ouder van je gevraagd wordt je aanschijn over je kind te laten lichten, je welwillendheid, om verder te kijken dan de buitenkant alleen, je kind speelruimte te geven, en hoe moeilijk dat soms ook kan zijn.

De Heer verheft zijn aangezicht over u en geeft u vrede.

God heft zijn gezicht naar ons op, dat is precies het tegenovergestelde van wat Kaïn doet aan het begin van de Bijbel, daar staat dat zijn gelaat viel, zijn blik werd donker, staat in de NBV. Kaïn ziet Abel niet meer staan, hij raakt het contact kwijt, met alle gevolgen van dien. Waar mensen het contact met elkaar kwijt raken, wiens gelaat valt, wie verzinkt in zichzelf die ziet alleen nog maar zichzelf en zijn eigen beelden, oordelen, verlangens en angsten, maar de werkelijke ontmoeting is weg, het werkelijke contact.

Als de zegen over ons wordt uitgesproken, dan wordt in dat laatste vers zoiets gezegd dat God ons in het oog houdt, dat Hij het contact met ons niet kwijt raakt, maar ons aandachtig volgt op onze weg. Uiteindelijk loopt de hele zegen uit op vrede, dat een mens zich zo gezegend mag weten dat er vrede binnen in hem of haar heerst. Dat betekent heus niet dat alles altijd goed is in je leven, dat er geen zorgen of verdriet is, maar zelfs te midden daarvan kan een mens een kern van vrede bewaren, vrede hebben met wie hij of zij is, vrede met het leven, met God. Dan weet je je een gezegend mens.

Tot slot, toen ik hier in Zuidwolde kwam, nam ik voor mezelf een besluit om niet langer te zeggen: De Heer zegene u en behoede u, alsof het een wens is waarvan ik niet zeker weet of hij wel of niet vervuld wordt. Ik dacht bij mezelf: als ik dan toch in de positie geplaatst ben om in Gods naam de zegen uit te spreken over mensen, dan wil ik dat ook zo doen dat er geen twijfel over mogelijk is dat God dat doet, dat God mensen zegent, iedere keer weer. En daarom heb ik sinds ik hier ben altijd gezegd: De Heer zegent u, Hij behoedt u, hij doet zijn aanschijn over u lichten etc. alles in de constaterende vorm. Het deed me een deugd in de voorbereiding op de dienst nu te lezen dat de werkwoordsvormen in het Hebreeuws eigenlijk drie tijden in één uitdrukken, één doorgaande lijn van verleden, heden en toekomst, de Heer heeft u gezegend, zegent u en zal u zegenen. Dat kunnen wij niet in één keer zeggen in het Nederlands, maar er is in ieder geval geen spoortje twijfel over dat God dat doet en dat wij in het ontvangen van die zegen, dat door mogen geven om anderen tot zegen te zijn.

Amen