Logo van de kerk

liturgie 27 september 2020

Liturgie 27 september 2020

Voorganger ds. R. Kok uit Nijeveen
organist  Harro Kraal

Welkom door de ouderling van dienst

Intochtspsalm  Psalm 25: 1 en 2                  

1. Heer, ik hef mijn hart en handen
    op tot U, beslecht mijn zaak.
    Weer van mij de smaad en schande
    van mijns vijands leedvermaak.
    Ja, zij worden zeer beschaamd
    die de goede trouw verachten,
    maar wie uw gebod beaamt,
    mag gelovig U verwachten.

2. Here, maak mij uwe wegen
    door uw Woord en Geest bekend;
    leer mij, hoe die zijn gelegen
    en waarheen Ge uw treden wendt;
    leid mij in uw rechte leer,
    laat mij trouw uw wet betrachten,
    want Gij zijt mijn heil, o Heer,
    ‘k blijf U al den dag verwachten.

Onze hulp

Drempelgebed

Psalm 25: 6 en 7                                          

6. Wie heeft lust de Heer te vrezen,
    ‘t allerhoogst en eeuwig goed?
    God zal zelf zijn leidsman wezen,
    leren hoe hij wandelen moet.
    Wie het heil van Hem verwacht
    zal het ongestoord verwerven,
    en zijn zalig nageslacht
    zal ‘t gezegend aardrijk erven.

7. Gods verborgen omgang vinden
    zielen waar zijn vrees in woont;
    ‘t heilgeheim wordt aan zijn vrinden
    naar zijn vreeverbond getoond.
    De ogen houdt mijn stil gemoed
    opwaarts, om op God te letten:
    Hij, die trouw is, zal mijn voet
    voeren uit der bozen netten.

Gebed om ontferming

NLB 657: 1 en 4                    

1. Zolang wij ademhalen
    schept Gij in ons de kracht
    om zingend te vertalen
    waartoe wij zijn gedacht:
    elkaar zijn wij gegeven
    tot kleur en samenklank.
    De lofzang om het leven
    geeft stem aan onze dank.

4. Ons lied wordt steeds gedragen
    door vleugels van de hoop.
    Het stijgt de angst te boven
    om leven dat verloopt.
    Het zingt van vergezichten,
    het ademt van uw Geest.
    In ons gezang mag lichten
    het komend bruiloftsfeest.

Lukas 8: 5-15

‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Terwijl hij daarmee bezig was, viel er wat zaad op de weg. Het werd vertrapt en door de vogels opgegeten. Er viel ook wat zaad op rotsachtige bodem, maar toen het opschoot, droogde het uit door gebrek aan water. Ander zaad viel tussen de distels, en toen de distels opschoten verstikten ze het.
Maar er viel ook wat zaad in vruchtbare aarde, en dat bracht honderdvoudig vrucht voort toen het was opgeschoten.’ Hij voegde er met luide stem aan toe: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren.’

Zijn leerlingen vroegen hem wat deze gelijkenis betekende.
Hij antwoordde: ‘Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van God kennen, maar de anderen krijgen alles in gelijkenissen te horen, opdat ze zien zonder inzicht en horen zonder iets te begrijpen.

Dit is de betekenis van de gelijkenis: Het zaad is het woord van God. 12Het zaad op de weg, dat zijn zij die geluisterd hebben, maar daarna komt de duivel en graait het woord weg uit hun hart, om te voorkomen dat ze worden gered door te geloven.

Het zaad op de rotsachtige bodem, dat zijn zij die het woord vol vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar het schiet geen wortel; ze geloven zolang het hun goed uitkomt, maar als ze op de proef worden gesteld, worden ze afvallig.

Het zaad dat tussen de distels valt, dat zijn zij die wel geluisterd hebben, maar door zorgen en rijkdom en de genoegens van het leven worden ze gaandeweg verstikt, zodat ze geen vrucht dragen.

Het zaad in de vruchtbare grond, dat zijn zij die met een goed en eerlijk hart naar het woord hebben geluisterd, het koesteren en door standvastigheid vrucht dragen.

NLB 183        

1. Een zaaier zaaide zaad in ‘t rond,
    op vier manieren kwam het van de grond:

2. Wat op de weg viel werd gegapt
    door vogels, of het werd vertrapt.

3. Wat op de rots viel werd een flop.
     Het had geen bodem, droogde op.    

4. Wat viel tussen de hanenpoot
    verstikte en was zomaar dood  

5. Maar wat in goede aarde viel  gaf zaad,
    gaf zaad, een overvolle maat!

 6. Heer zaai uw woord de wereld rond.
      Maak ook ons hart tot goede grond.

Overdenking

NLB 764: 1.2.3.4.5.6

1. Een zaaier ging uit om te zaaien,
    hij zaaide zo wijd als de wind,
    zo wijd als de winden waaien
    waar niemand een spoor van vindt.

2. Een deel van het zaad ging verloren,
    een deel van het zaad werd brood,
    maar niemand weet van te voren
    de weg van het zaad in de schoot.

 3. Het wordt op de wegen vertreden,
    het valt in een vruchteloos graf,
    het sterft aan de doornen beneden,
    de vogels van boven af.

4. De lage, de hoge gevaren
    bedreigen het kiemende graan,
    maar soms kan het openbaren
    de zin van het aardse bestaan. 

5. Er is geen verwachting van leven,
    tenzij in de dood van het zaad,
    wij moeten de aarde vergeven
    dat zij ons sterven laat. 

6. O zaaier, ga uit om te zaaien
    de kiem waaruit leven ontstond,
    zo wijd als de winden waaien
    en maak ons tot moedergrond.

Voorbeden

Slotlied: NLB 704: 1.2.3        

1. Dank, dank nu allen God
    met hart en mond en handen,
    die grote dingen doet
    hier en in alle landen,
    die ons van kindsbeen aan,
    ja, van de moederschoot,
    zijn vaderlijke hand
    en trouwe liefde bood. 

2. Die eeuwig rijke God
    moge ons reeds in dit leven
    een vrij en vrolijk hart
    en milde vrede geven.
    Die uit genade ons
    behoudt te allen tijd,
    is hier en overal
    een helper die bevrijdt. 

3. Lof, eer en prijs zij God
    die troont in ‘t licht daarboven.
    Hem, Vader, Zoon en Geest
    moet heel de schepping loven.
    Van Hem, de ene Heer,
    gaf het verleden blijk,
    het heden zingt zijn eer,
    de toekomst is zijn rijk.

Zegen