Logo van de kerk
Home / Dominee / Overdenking

Overdenking

Eerder gehouden overwegingen vindt u hier

Overweging 10 juni 2018

xInleidende woorden
Deze afbeelding ligt bij mij in de studeerkamer op een lessenaar in een hele oude, opengeslagen Bijbel, die ik kreeg bij mij bevestiging. Een oudoom van mij kreeg die Bijbel ooit bij zijn bevestiging in 1937 en aangezien er niet zoveel dominees in de familie zijn, was ik de gelukkige na hem. En als je die Bijbel precies in het midden openslaat, dan verschijnt deze afbeelding van Gustave Doré, een tekening van Job en zijn drie vrienden.

Na de proloog, de openingshoofdstukken van vorige week zijn we vandaag aangekomen in het middengedeelte van Job, een gedeelte waarin in 34 hoofdstukken Job en zijn vrienden met elkaar in gesprek gaan, althans dat proberen ze, dat gesprek. Of ze elkaar werkelijk bereiken, of ze werkelijk contact hebben, dat is een andere vraag. Dit middengedeelte is de kern van het boek, de kern van het boek is een gesloten hemel, een God die zwijgt en mensen die zoeken, tasten naar houvast, naar antwoorden, naar zin en geloof temidden van het lijden dat één van hen heeft getroffen.

We horen straks eerst Job aan het woord, die deels in zichzelf praat en deels tot God en u zult onmiddellijk merken dat het een hele andere Job is dan vorige week, we zullen hem nauwelijks herkennen. Na Jobs stem, vertolkt door Herma, zingen we psalm 22:1. En dan volgt een reactie van één van zijn vrienden, van Zofar, vertolkt door Geert, waarna we aansluitend lied 807 zullen zingen. Als opmaat begin ik met het lezen van hoofdstuk 2, de verzen 10 – 13, waarin de komst van de vrienden wordt aangekondigd.

Lezing: Job 10 en Job 11, afgewisseld met Psalm 22/Lied 807 in een vertaling van Drijvers/Hawinkels

We luisteren aansluitend na de overweging naar Trijntje Oosterhuis, met het lied “Ken je mij?”, geschreven door haar vader Huub Oosterhuis bij psalm 139.

Een vriend in het lijden?

Ik begin vanmorgen met een vraag: Wie is voor u, toen u dat écht nodig had, als een ware vriend, als een ware vriendin voor u geweest? En áls er zo iemand was, want dat is lang niet vanzelfsprekend, wat maakte dat hij of zij werkelijk vriend/vriendin voor u was, wat was het, wat hij of zij deed, zei, niet zei, aanvoelde etc. wat was het?
Of andersom, voor wie bent u naar uw eigen gevoel werkelijk een vriend/vriendin geweest in tijden dat een ander door het leven onderuit werd gehaald? Wat was het wat u deed? Hoe deed u dat?
Ongeveer 7 jaar geleden werd een vriendin van mij weduwe, twee jonge kinderen, derde op komst en ik merkte na een poosje dat ik het moeilijk vond te ontdekken wat onze vriendschap in die veranderde omstandigheden betekende, wat werd er van mij verwacht, wat kon ik van mijzelf verwachten, van haar, hoe kon ik werkelijk vriendin voor haar zijn juist in deze tijden? Waar zat het ‘m in?

De drie vrienden die naar Job toe komen staan voor een bijna onmogelijke taak, hoe kunnen ze vriend zijn voor hem in het lijden? Wat betekent dat? Wat heeft hij van hen nodig? Wat kunnen ze hem geven? En hoe herkenbaar dat door alle tijden heen is gebleven, klinkt door in dat eerste stukje uit hoofdstuk 2, die drie vrienden, ze spraken met elkaar af om naar Job toe te gaan. Je ziet het voor je, hoe die drie vrienden eerst ergens vlakbij afspreken om elkaar te ontmoeten voordat ze Job onder ogen komen, het vraagt moed om op zo iemand af te stappen, je zoekt steun bij elkaar.
Ze willen hem opbeuren met hun komst, staat er, maar als ze hem zien weten ze dat Job dat stadium ver, ver gepasseerd is.

Ze gingen zitten,
zonder dat iemand een woord tegen hem zei,
want zij zagen wel: zijn verdriet was mateloos groot.

Een groots gebaar van vriendschap van deze drie,
je mond houden en alleen maar bij iemand zijn en wachten tot die ander de stilte verbreekt.
Maar als Job dan zijn mond open doet… ik weet niet wat gemakkelijker te verdragen is als vriend, de stilte of de woorden van bitterheid die er uit Jobs mond komen, hou dat maar eens vol…maar ze houden het vol, de drie, Elifaz, Bildad en Zofar. In twee rondes komen ze ieder een keer aan het woord, en iedere keer weer “antwoordt ” Job, ook al kun je het eigenlijk niet antwoorden noemen, want waar de vrienden tot Job spreken, daar spreekt Job afwisselend tegen zichzelf,  tegen God en af en toe tegen zijn vrienden. Maar dan niet zachtzinnig:

ach, jullie woorden van troost aan mijn adres zijn lucht, en anders niets!
En jullie antwoorden – die zijn bedrieglijk tot en met.
En: wat een venijnig soort medeleven houden jullie er allemaal op na!
Komt er geen eind aan die opgeblazen taal?
Waarom moet je, koste wat kost, iets terugzeggen?

Er zal maar zo tegen je gesproken worden, terwijl je met goede bedoelingen bij iemand komt. Maar ze houden het vol, die drie vrienden.
Niet alleen Job strijdt in dit boek, ook die drie vrienden leveren een gevecht, zij vechten evenzeer, niet alleen voor Job, maar ook voor zichzelf, voor hun geloof, dat wordt aangevochten door Job en zijn situatie.

God redden?

Waarover gaat dat gevecht dan, die strijd die Job en zijn vrienden hier leveren? Kort gezegd, ze willen elk op hun eigen manier God redden voor zichzelf, en misschien moet ik nog wat genuanceerder zeggen, waar de vrienden God proberen te redden, daar wil Job het vooral mét God redden, koste wat het kost. Alsof Job door alles heen vastbesloten is, God niet te verliezen in deze hele misère. Job vervloekt God, hij vraagt Hem om met rust gelaten te worden, om Hem vervolgens te vergelijken met een luipaard die jacht maakt op zijn prooi, hij klaagt God aan. Maar Hem laten voor wie Hij is, dat is het enige wat Job niet doet en de vrienden wel, zou je kunnen zeggen.
Job laat God niet voor wie Hij is, en dat kost hem bijna zijn leven en God erbij. Hij vecht tegen God om God. De God die hij dacht te kennen, is een vreemde voor hem geworden en Job wil weten: zal God nog weer als een vriend voor mij zijn? Kan ik nog op hem rekenen?

In alle onderlinge verschillen komt het bij de drie vrienden toch iedere keer opnieuw op hetzelfde neer, iedere keer herhalen ze hetzelfde betoog: als Job door deze ellende getroffen wordt, dan zal er in zijn leven een punt zijn geweest dat hij gezondigd heeft, dan zal dit lot hem door God zijn aangedaan, als les, als beproeving, als rechtvaardigheid. Hoe het ook zij, ergens heeft hij zelf deel, schuld aan alles wat hem overkomt. Ga bij jezelf te rade, Job, je bent ook heus niet de enige en de eerste die dit overkomt, wie zou recht tegenover God kunnen staan, beken je schuld, keer je tot Hem
en dan zul je weer sterk staan,
dan zul je je lijden vergeten
of eraan terugdenken als aan water dat voorbij is gestroomd.

om het in de woorden van Zofar te zeggen,
Zo proberen de vrienden God te redden voor zichzelf, zo proberen ze Hem passend te maken in hun eigen systeem van straf op zonde en zegen voor rechtvaardigheid, ze proberen God te redden voor hun eigen geloof, hun eigen geloof dat door Job wordt aangevochten.

Eigen schuld…

Je kunt zeggen: wat hebben we hier aan? Die manier van denken van deze vrienden is ons zo vreemd geworden en ook in het boek Job zelf is die spanning al te merken. Job zelf protesteert ertegen, zegt hartgrondig nee. Het klopt niet wat die vrienden beweren. Het klopt niet met onze ervaring, eerder lijkt het soms omgekeerd, dat de mensen die het zo goed proberen te doen getroffen worden door onheil en dat degene die er maar op los leven, er mee weg lijken te komen. En laten we al helemaal niet zeggen dat het van God komt, hoe zouden wij weten wat God doet, wat Gods wil, wat zijn plan is. Als mensen al zo zwaar getroffen worden in het leven, maakt het het alleen maar erger wanneer er ook nog wordt gezegd dat het van God komt, alsof je God er ook nog bij verliest.

En toch…ook al noemen we God er niet meer bij, uit verlegenheid of onwetendheid, toch is de redenering van de vrienden van Job overal te herkennen, of misschien soms wel in toenemende mate, als je denkt dat het leven maakbaar is, tot je beschikking is. Ga toch eens na bij jezelf, Job, is dat wat je overkomt ergens niet je eigen schuld? Ik denk even aan de discussie over zorgverzekeringen en hoe er telkens weer stemmen opgaan om met verschillende maten te meten qua premie, rokers, degene die “ ongezond ” leven, moeten meer betalen, want is het ergens niet hun eigen schuld als ze ziek worden? Of de discussie of bestrijding van obesitas wel of niet in de zorgverzekering moet worden opgenomen, zijn we daar wel of niet solidair in met z’n allen. Klinkt daar ook niet in door dat het geheel en al aan iemand zelf ligt wat zijn of haar gewicht is, terwijl ook onze omgang met voedsel daar een grote rol in speelt? En wat doen deze discussies met hoe we naar elkaar kijken in een samenleving? Hoe we elkaar nabij kunnen zijn, kunnen dragen in nood? Is het eenvoudiger geworden nu God uit deze redenering verdwenen is en het bij de mens zelf alleen komt te liggen?

Voor Job is het grote gevecht met zijn vrienden niet zozeer dat wat hem overkomt ergens op een of andere manier bij God vandaan komt, dat is hem niet vreemd, dat hoort wellicht niet bij het onze maar wel bij Jobs Godsbeeld, maar hij vecht tegen de conclusie die zij trekken, dat het dan ook zijn eigen schuld is. Dat hij dit aan zichzelf te danken heeft, hij heeft dit niet verdiend, ik ben onschuldig dat weet U, schreeuwt Job uit, en hij kan zich niet voorstellen dat God zó is zoals de vrienden Hem voorstellen, als een boekhouder die nauwkeurig bij houdt wie wanneer de fout ingaat, en wat daar de consequenties van zouden moeten zijn,

sinds wanneer slaat u de mens zo hoog aan
dat uw waakzaamheid geen moment verslapt,
vraagt Job, zo ken ik U toch helemaal niet,
en als ik dan te ver ben gegaan,
waarom dan niet vergeven,
waarom dan niet gewoon laten passeren?
U heeft de mens toch niet eigenhandig gemaakt om haar vervolgens weer te gronde te richten, die kwetsbare mens in al haar feilbaarheid, wat zou het voor zin hebben uw leven en liefde uit te storten in een mens om vervolgens hem zo langs de meetlat te leggen?

Waar de vrienden zich druk maken om God te redden in een passend systeem, wil Job alleen maar het hartstochtelijk mét God redden, dat hij niet in alle verlies nu ook nog God verliest. Job vecht tegen God om God.

“ Er is een nood waarin je zo eenzaam wordt, dat je voor geen mens meer te bereiken bent. Dat geen mens je meer kan helpen. In die nood laat Job zijn vrienden praten en zoekt het hogerop: bij God.”
(G. de Kruijf, Een goed woord, p. 163)

Ken je mij

Terwijl zij praten over God, wil hij praten mét God, weten of hij nog bij Hem terecht kan, bij een vriend die weet heeft van al zijn verdriet, van al zijn pijn. Ken je mij, roept Job tot God, ken je mij werkelijk in alles wat ik mee maak? Want ik herken me zelf niet meer, weet niet meer wie ik ben. En ken ik Jou/U nog, nu alles zo anders is, In alles zoals ik U dacht te kennen.
God is rechtvaardig, zeggen de vrienden, je krijgt wat je verdient. Maar gerechtigheid is in de Bijbel niet: iemand geven wat hij verdient, maar iemand geven wat hij nodig heeft. En wat Job nodig heeft is een Vriend, met een hoofdletter. Een Vriend, die hij op de bodem hoopt te vinden in God zelf.

We luisteren naar Ken je mij,
woorden die afwisselend zowel van Job als van God zouden kunnen komen.

Ken je mij? Wie ken je dan?
Weet jij mij beter dan ik?
Ken je mij? Wie ben ik dan?
Weet jij mij beter dan ik?

Ogen die door de zon heen kijken
Zoekend naar de plek waar ik woon
Ben jij beeldspraak voor iemand
die aardig is, of onmetelijk ver,
die niet staat en niet valt
en niet voelt als ik,
niet koud en hooghartig
Ref

Hier is de plek waar ik woon
Een stoel op het water,
Een raam waarlangs het opklarend weer
Of het vallende duister voorbij vaart
Heb je geroepen? Hier ben ik
Ref

Ik zou een woord willen spreken
Dat waar en van mij is
Dat draagt wie ik ben,
dat het houdt,
Ik zou een woord willen spreken
Dat rechtop staat als mens die mij aankijkt en zegt
Ik ben jouw zuiverste zelf,
Vrees niet, versta mij, ik ben, ik benRef

Ben jij de enige voor wiens ogen
Niet is verborgen van mijn naaktheid
Kan jij het hebben,
Als niemand anders,
Dat ik geen licht geef, niet warm ben,
Dat ik niet mooi ben, niet veel
Dat geen bron ontspringtn mijn diepte
Dat ik alleen dit gezicht heb,
geen ander.
Ben ik door jou, zonder schaamte,
gezien, genomen,
door niemand minder?
Zou dat niet veel teveel waar zijn?
Zou dat niet veel teveel waar zijn?
Ref