Logo van de kerk

De Chassidische Legenden

De kinderen in het bos

Een moment uit de jeugd van rabbi Elieser, Israël, die later de Baalschem genoemd werd.
Het kind is helemaal alleen op de wereld, de oude vader is gestorven nadat hij de zegen heeft gezegd in de verwonderde kinderogen van Israël. Hij groeit op te midden van de gemeente die zich min of meer over hem ontfermt. Maar de natuur is het die hem aantrekt; tussen de bomen en de dieren van het bos is zijn tehuis, meer dan in de stulpen van het oostelijke stadje. Men laat hem tenslotte zijn gang gaan.

Als hij twaalf jaar oud is neemt hij de taak op zich om de jongere kinderen naar school te brengen: - en dan gebeurt er een merkwaardige verandering in het afgestompte stadje. Het zijn niet meer dezelfde kinderen van voorheen, die met hun bleke gezichten met de grote hongerige ogen, reeds ietwat gebogen van houding, overal vandaan naar de school komen. Een juichende en zingende kinderschare is het, die nu onder aanvoering van de jonge Israël door de straten naar school gaat; bloemen en groene takken dragen ze in de hand en er is een nieuw licht in hun ogen gekomen.
Israël heeft hen naar het bos gebracht, hij heeft hen de bomen en de dieren geopenbaard. Een nieuw geluk en een nieuwe zekerheid trekt met de zingende kinderschaar door de stegen van het stadje.

De Taal van de vogelen

Rabbi Arje, de voorganger van Polnoy, had een brandende begeerte naar wijsheid, die zo zeldzaam is, dat in elke generatie er slechts één gevonden wordt die haar heeft. In die tijd was die éne de Baalschem. De betekenis van deze wijsheid echter was, dat degene die haar bezat een oor had voor de taal van alle schepselen ter wereld. Hij kon verstaan wat de dieren op aarde en in de lucht elkaar toevertrouwen van de verborgenheden van hun bestaan, zelfs de sprake van boom en kruid was hem niet vreemd. En als hij het oor drukte tegen de zwarte aarde of de kale rots, vernam hij wat de schepselen die het licht schuwen en onder de grond leven, elkaar toefluisteren.

Nu begreep rabbi Arje heel goed dat zijn wens vermetel was, maar hij dacht dat hij wel het recht had om dien te koesteren daar hij een geweldig prediker was en zijn prediking door deze gave immers nog machtiger zou worden. Dus begaf hij zich naar den Baalschem.
Als hij in diens kamer binnenkomt, staat die vol mensen die luisteren naar de woorden van den meester. Deze heeft rabbi Arje wel gezien, maar groet hem niet en gaat gewoon door. En rabbi Arje wordt bedroefd en beschaamd dat er zo weinig aandacht aan hem geschonken wordt. Maar hij blijft omdat zijn begeerte sterker is.
De volgenden dag mag hij tot zijn grote vreugde met den Baalschem in diens wagen meerijden. En tijdens de rit deelt de meester hem vriendelijk mee, dat hij heel goed weet welke begeerte rabbi Arje tot hem heeft gebracht. Ja, hij is bereid om hem in te wijden in de diepste verborgenheden van God en Zijn schepping: - de rabbi mag zijn oor buigen naar den mond van den Baalschem en luisteren, luisteren. En deze spreekt, spreekt. Maar terwijl rabbi Arje in steeds groter worden de verrukking de woorden van de meester in zich opneemt, merkt hij dat ze door een bos rijden waarin de vogels vrolijk kwetteren tussen de bomen. En o, wonder, weldra bemerkte hij dat hij enkele woorden en brokstukken van hun taal kon verstaan. Toen werd hij vrolijk en trots in zijn hart en luisterde met het ene oor naar de meester en met het andere naar het gesprek der vogels. Bijna was het bos ten einde, toen de Baalschem vroeg: Heb je nu goed onthouden wat ik gezegd heb?" En rabbi Arje keek hem stralend aan en zei: "Ja meester, alles heb ik verstaan!" Toen streek de Baalschem even met de hand over het voorhoofd van den rabbi. En toen was deze opeens alles, alles vergeten wat de Baalschem aan openbaring in zijn geest had gelegd. Daar zat hij, troosteloos en als uitgebrand en hoorde de vogels krijsen en verstond er even weinig van als vroeger. Maar de Baalschem glimlachte en sprak: "Wee u, rabbi Arje, omdat ge een snoeplustige ziel hebt was u niet eens in staat om ze geheel en al aan mij te wijden in die ogenblikken waarin ik aan haar de genade wilde mededelen? Wee u, vriend, die uw ziel in veelheid en haast rijk wilde maken! Gods wonderen zijn voor hen die zich op één ding kunnen richten en met één ding tevreden kunnen zijn."

De tocht naar Jeruzalem – De weg terug

Stemmen hebben in den nacht de Baalschem geroepen uit oneindige verten. Het oude land roept hem met de stemmen van oeroud leed en verlangen. Zij spreken hem aan als degene die komen zou en verlossing zal brengen. En zo is hij op weg gegaan met een leerling, ofschoon God zelf tot hem heeft gesproken in den nacht dat het niet zijn wil en nog niet zijn tijd is, dat hij van zijn plaats zal heengaan naar Jeruzalem. Als zij zich samen op weg begeven hebben begint een nieuwe kosmische hoop te lichten door den nacht, te roepen over de aarde, te stijgen in de sappen der bomen. Zij komen tenslotte aan het strand der zee. En als de nacht is gedaald, bevinden zij zich in een scheepje met een zeil van vlammend rood en geel op volle zee. Maar daar eindigt de tocht. In de dodelijke eenzaamheid van het water rondom wijkt alle hoop uit het hart van den Baalschem en als dan door het ruisen der golven de Godsstem zacht en troostvol begint te spreken, weet hij dat de tijd der verlossing, ook voor Jeruzalem, nog niet is aangebroken.

Als schipbreukelingen liggen de meester en zijn leerling de anderen morgen in het vochtige zand aan het strand der zee. Geen woord wordt gesproken tussen hen; zij richten zich op en gaan den weg terug dien zij met zulk een grote verwachting en vreugde gekomen zijn. Als de zon hoog aan den hemel staat en ze reeds uren en uren gelopen hebben, kijkt de leerling den meester aan en ziet weer den bekenden heiligen glans op zijn gezicht. - en als dan ten- slotte door de sferen het woord van zijn terugkeer gaat, is het alsof het door een ruisen als van dodelijk vermoeide vleugels wordt begeleid. Weer valt de grote stilte van het grauwe wachten der eeuwen, en in die stilte is de knagende smart en in de smart het ongetrooste sterven. Maar de stem Gods verheft zich over het land met het woord der belofte dat vertroosting geeft.